De Letter of Credit en het beginsel van strikte conformiteit

Het handelsverkeer bestaat grotendeels uit grensoverschrijdende transacties, waarbij vaak grote hoeveelheden producten, levensmiddelen of grondstoffen worden getransporteerd van de ene kant van de wereld naar de andere. Partijen in de internationale handel krijgen onvermijdelijk te maken met verschillende rechtsstelsels, onbekende partijen en manieren van zakendoen. Dat er vaak weinig bekend is over de betrouwbaarheid van de andere partij, de identiteit van de vervoerder of de lokale autoriteiten betekent dat er voor kopers van producten en grondstoffen veel mis kan gaan. De afnemer loopt het gevaar om niet de juiste producten geleverd te krijgen die waren afgesproken in het contract. Ook kan het zomaar zo zijn dat de kwaliteit van de spullen minder is dan afgesproken, of er wordt in zijn geheel niet geleverd. Ook voor een verkoper bestaan er risico’s; denk aan de koper die de (volledige) koopprijs niet voldoet.

Tekst door: Guus Zondag

LEES VERDER

Benoemingsprocedure Verenigde Staten

Het handelen buiten de landsgrenzen is risicovol, zeker wanneer de beide partijen geen (langdurige) relatie met elkaar hebben. Om deze risico’s enigszins te beperken, wordt er in de handelspraktijk veelvuldig gebruik gemaakt van een documentair accreditief, ook wel een ‘letter of credit’ genoemd (L/C). Een bank dient bij een L/C als tussenschakel. Deze betaalt de verkoper uit, op het moment dat de in de L/C opgenomen documenten (bijvoorbeeld een bewijs van kwaliteit, een cognossement of vrachtbrief) zijn gepresenteerd aan de bank. Betaling via een L/C kan met het verschaffen van zekerheid een positief effect hebben op het handelsverkeer, maar hoe zijn de rechtsverhoudingen tussen koper, verkoper en de bank nu precies geregeld? En wanneer is een bank gehouden om uit te betalen? In dit artikel bevat een korte introductie van de rechtsfiguur van de L/C en het beginsel van strikte conformiteit.

De Letter of Credit

Bij een L/C fungeert de bank door middel van een documententransactie als (onpartijdige) tussenschakel in de koopovereenkomst tussen de koper en de verkoper. Afgesproken wordt dat de verkoper bepaalde in de L/C afgesproken documenten aanlevert aan de bank (denk aan kwaliteitscertificaten voor de lading, of een bewijs dat de goederen aan boord van een schip zijn geladen). Het idee is dat op het moment dat de bank de aangeboden documenten in ontvangst neemt, deze gehouden is tot betaling aan de verkoper.1 Zo is de verkoper zeker van (directe) betaling, omdat de bank zich onherroepelijk heeft verbonden om de koopprijs te betalen aan de begunstigde van de L/C op vertoon van de juiste documenten. Ook de koper heeft zekerheid met betrekking tot het gekochte, doordat de vereiste documenten door de bank zijn ontvangen en gecontroleerd. Deze kan via de bank veilig tot betaling overgaan. De rechtsfiguur van de L/C wordt in de praktijk vaak beheerst door de bepalingen van de ICC Uniform Customs and Practice for Documentary Credits (UCP 600).2

 

Beginsel van strikte conformiteit

Van groot belang bij de uitbetaling onder een L/C is het beginsel van strikte conformiteit. Het beginsel is één van de fundamentele, internationaal erkende beginselen van documentair kredietrecht en ook terug te vinden in art 14 (a) UCP 600. Het houdt in dat de bank enkel een presentatie van documenten honoreert (en dus overgaat tot betaling) wanneer de documenten strikt conform de voorwaarden in de L/C worden gepresenteerd. De bank moet de aangeboden documenten met uiterste nauwgezetheid op volledigheid en correctheid controleren. Een belangrijke Engelse uitspraak genaamd Lord Sumner uit 1926 geeft aan dat het echt moet gaan om precies die documenten die zijn benoemd in de L/C:

‘There is no room for documents which are almost the same, or which will do just as well as those specified’.3

Omdat de bank enkel kijkt naar documenten, kan de koper in de L/C alleen voorwaarden stellen die documentair van aard zijn, of die met behulp van een document kan worden bewezen door de verkoper.

‘Het houdt in dat de bank enkel een presentatie van documenten honoreert (en dus overgaat tot betaling) wanneer de documenten strikt conform de voorwaarden in de L/C worden gepresenteerd.’

Onafhankelijkheidsbeginsel

Bij een L/C gaat de bank een onafhankelijke rechtsverhouding aan met de begunstigde.4 Bij correcte presentatie van de afgesproken documenten zal de bank dus in beginsel moeten uitbetalen aan de verkoper, zelfs als er in de onderliggende koopovereenkomst gedoe is tussen de partijen. Een L/C-transactie kent drie afzonderlijke rechtsverhoudingen, zijnde:

1. het onderliggende koopcontract;

2. het contract tussen de koper (opdrachtgever van de L/C) en de openende bank.

3. de betalingsverplichting van de bank tegenover de verkoper die voortvloeit uit de L/C zelf.5

De bank opent de L/C in opdracht van de koper en verplicht zich in eigen naam om het in de L/C overeengekomen bedrag te betalen als de verkoper heeft voldaan aan de in de L/C gestelde voorwaarden. Betaling van de koopprijs door de bank is dus een zelfstandige verplichting. De bank mag zich voor het al dan niet honoreren van het betalingsverzoek slechts baseren op de aangeleverde documenten. Zoals art. 5 UCP 600 het mooi verwoord:

“Banks deal with documents and not with goods, services or performance to which the documents may relate.”

Eventuele verweren, die de opdrachtgever (koper) aanvoert op grond van de onderliggende overeenkomst kunnen door de bank niet aan de begunstigde worden tegengeworpen.

 

Hoe strikt is strikt?

Dat een bank moet uitbetalen bij een correcte presentatie biedt in de internationale handel zekerheid. Toch is het ook denkbaar dat het niet wenselijk is dat de bank altijd gehouden is om uit te betalen bij correcte presentatie, bijvoorbeeld als er sprake is van fraude of wanprestatie aan de zijde van de begunstigde. Een klassieke uitspraak over de L/C In Nederland is het Bulk Oil/Mac Oil-arrest.6 In dit arrest uit 1976 volgt een bevestiging door de HR van het onafhankelijkheidsbeginsel. Tevens oordeelde de HR dat een beweerde, maar ten processe niet vaststaande, wanprestatie uitvoering van de L/C niet kan dwarsbomen. Enkel wanneer er sprake is van evidente fraude in de onderliggende contractsverhouding zou een uitzondering gemaakt kunnen worden op het conformiteitbeginsel. Wanneer sprake is van evidente fraude (of van een rechtshandeling die valt onder art. 3:40 BW) is de bank niet gehouden tot uitbetaling onder de L/C.

In een recenter arrest uit 2004 heeft de HR in het kader van een onafhankelijke bankgarantie overwogen dat een uitzondering op het beginsel van strikte conformiteit niet is uitgesloten:

‘4.2 Bij de beoordeling van dit onderdeel moet worden vooropgesteld dat het hof kennelijk en terecht tot uitgangspunt heeft genomen dat, gelet op het karakter van een bankgarantie als de onderhavige en de functie die dergelijke garanties in het handelsverkeer vervullen en gelet op de positie van de bank die zowel de belangen van degene die de opdracht gaf tot het stellen van de garantie, als van degene te wiens gunste de garantie is gesteld, in het oog moet houden, een strikte toepassing door de bank van de in de garantie gestelde voorwaarden geboden is. Daarbij heeft het hof (in rov. 4.9) terecht mede van belang geacht dat het in het onderhavige geval gaat om de persoon van de deskundige (Marspec) wiens oordeel volgens de tekst van de performance bond de enige maatstaf zou zijn bij de beoordeling van de vraag of Cornelissen wel of niet aan haar verplichtingen uit de overeenkomst heeft voldaan. Dit uitgangspunt brengt mee dat het hof terecht niet heeft aanvaard dat op grond van de aanvullende werking van de redelijkheid en billijkheid in plaats van met een verklaring van Marspec genoegen kon worden genomen met de verklaring van een gelijkelijk deskundig te achten instelling.

3.4.3 Het hof heeft evenmin miskend dat op grond van de beperkende werking van de redelijkheid en billijkheid een uitzondering op het beginsel van strikte conformiteit niet uitgesloten is. Het heeft immers geoordeeld dat in het onderhavige geval door Anthea onvoldoende is gesteld om de weigering van de bank wegens afwijking van de daarin gestelde voorwaarden tot uitbetaling onder de performance bond over te gaan naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar te doen zijn.’7

Het Hof Amsterdam heeft in 2011 ook een uitspraak gedaan over een L/C. Het Hof bevestigd nogmaals dat een bank in beginsel uitsluitend hoeft na te gaan of aan de documentaire betalingsvoorwaarden van het krediet is voldaan. Deze heeft geen verplichting om te onderzoeken of de aanspraken van de partij die uit hoofde van het documentair krediet betaling vraagt, in de onderliggende rechtsverhouding gegrond zijn. Enkel wanneer voldoende feiten worden gesteld die het voor de bank voldoende duidelijk had moeten maken dat sprake was van willekeur of bedrog zal zij betaling moeten weigeren:

‘4.9 Nu de swift-berichten van Santander in overeenstemming waren met het in de Letter of Credit genoemde bericht, was de voorwaarde voor betaling vervuld en moest ABN AMRO, krachtens haar daartoe strekkende verplichting uit de Letter of Credit, aan Santander betalen. Als uitgangspunt heeft immers te gelden dat een strikte toepassing door ABN AMRO van de in de Letter of Credit opgenomen voorwaarden geboden was. Voor een uitzondering op dit beginsel zou grond hebben bestaan, naar volgt uit de beperkende werking van de redelijkheid en billijkheid, als aan de zijde van Santander sprake was geweest van bedrog of willekeur en dit voor ABN AMRO kenbaar was. Hierop doet Sunred een beroep. Zij heeft echter nagelaten voldoende feiten te stellen waaruit, bij bewezenverklaring, volgt dat een zodanig geval zich heeft voorgedaan. Sunred heeft gewezen op de hoogte van de kosten waarvan Santander vergoeding heeft gevraagd in verhouding tot de hoofdsom van het krediet (USD 33.716,- tegenover USD 480.000,-), op het feit dat Santander niet ineens maar bij twee verschillende swift-berichten aanspraak heeft gemaakt op vergoeding van die kosten (en op delen van de hoofdsom), en op een brief van 2 juli 2010 van de Argentijnse advocaat M.H. Arancibia volgens welke, kort gezegd en voor zover van belang, destijds geen wijziging in Argentijnse regelgeving heeft plaatsgevonden die tot zulke kosten voor Santander heeft geleid en volgens welke brief Santander niet bevoegd was die kosten in rekening te brengen.

4.10 De hoogte van de kosten en het feit dat Santander daarop bij twee verschillende berichten aanspraak heeft gemaakt, vormen geen aanwijzing voor, laat staan een voldoende onderbouwing van, bedrog of willekeur aan de zijde van Santander. De genoemde brief doet dit evenmin. Met het beroep op die brief miskent Sunred dat ABN AMRO geen onderzoek behoefde te doen naar de gegrondheid van de aanspraken van Santander (in haar verhouding tot Sunred) op vergoeding van de kosten die zij op grond van de Letter of Credit vorderde: ABN AMRO behoefde uitsluitend vast te stellen of de swift-berichten waarbij Santander om vergoeding van kosten verzocht, in overeenstemming waren met het in de Letter of Credit als betalingsvoorwaarde genoemde bericht. Dit was zoals gezegd het geval. Uit de swift-berichten bleek niet, en evenmin was voor ABN AMRO in verband daarmee anderszins kenbaar, dat aan de zijde van Santander sprake was van bedrog of willekeur, zodat ABN AMRO tot betaling was gehouden. Om dezelfde redenen is ongegrond de stelling van Sunred dat de swift-berichten van Santander niet beantwoordden aan de in de Letter of Credit opgenomen voorwaarde voor betaling en dat ABN AMRO daarom op grond van artikel 16a van de UCP van betaling diende af te zien. Andere stellingen van Sunred die ervan uitgaan dat ABN AMRO de gegrondheid van de aanspraken van Santander op kostenvergoedingen had moeten onderzoeken of die aannemen dat voor ABN AMRO kenbaar was dat sprake was van bedrog of willekeur, zoals de stelling dat het Santander feitelijk erom te doen was tekorten van Sipex aan te zuiveren tot een bedrag hoger dan USD 480.000,-, snijden om de hiervoor genoemde redenen evenmin hout.’8

 

Afsluiting

De L/C kan bij veel internationale koopovereenkomsten voor de gewenste zekerheid zorgen, voor zowel de koper als de verkoper. De bank, die een zelfstandige betalingsverplichting aangaat tegenover de verkoper, zal moeten betalen onder de L/C wanneer de afgesproken documentatie conform is aangeleverd. De bank zal de een presentatie van documenten enkel honoreren (en dus overgaan tot betaling) wanneer de documenten strikt conform de voorwaarden in de L/C worden gepresenteerd. Dit beginsel van strikte conformiteit lijkt ideaal, maar kan in de praktijk voor lastige situaties zorgen op het moment dat in de onderliggende rechtsverhouding vermeend sprake zou zijn van fraude of bedrog.

‘Enkel wanneer er sprake is van evidente fraude in de onderliggende contractsverhouding zou een uitzondering gemaakt kunnen worden op het conformiteitbeginsel.’

Guus Zondag (22) rondt dit collegejaar zijn bachelor Rechtsgeleerdheid af aan de Universiteit Utrecht. Naast zijn studie is hij dit jaar hoofdredacteur bij de Juncto en loopt hij stages binnen de advocatuur en het notariaat. Zijn interesse ligt in het privaatrecht.

Voetnoten

1.     G.J.L. Bergervoet, Financiering van de productieketen (O&R nr. 106), 2019/10.2.2.

2.     https://iccwbo.org/global-issues-trends/banking-finance/global-rules/#1488883561633-a6f3f3ac-5b0b.

3.     House of Lords (Verenigd Koninkrijk) 25 november 1926, Equitable Trust Co of New York v. Dawson Partners Ltd.

4.     Zie: HR 26 maart 2004, NJ 2004/309 (AntheaYachting/ABNAmro), r.o.3.6.

5.     G.J.L. Bergervoet, Financiering van de productieketen (O&R nr. 106), 2019/10.2.2.

6.     HR 21 mei 1976, NJ 1977, 209 (Bulk Oil/Mac Oil).

7.     HR 26 maart 2004, NJ 2004, 309 (Anthea Yachting).

8.     Hof Amsterdam, 5 juli 2011, ECLI:NL:GHAMS:2011:BR2967 (Sunred/ABN Amro).

Video
Share

Your name

Your e-mail

Name receiver

E-mail address receiver

Your message

Send

Share

E-mail

Facebook

Twitter

Google+

LinkedIn

Contact

Send

Sign up

Sign up