Product- en producenten-
aansprakelijkheid

Tekst door: Lotje Merks

LEES VERDER

Indien een consument een product koopt op de markt, is het niet altijd een gegeven dat het product voldoet aan de eisen waaraan het dient te beantwoorden. Kortom: het product vertoont een gebrek. De producent kan op sommige gronden voor bepaalde producten aansprakelijk worden gesteld voor de schade die de consument als gevolg van het gebrek lijdt.

De wet kent een regeling voor productenaansprakelijkheid in Boek 6, titel 3, afdeling 3 van het Burgerlijk Wetboek (hierna: ‘BW’). Deze regeling is gebaseerd op het leerstuk van onrechtmatige daad (zie artikel 6:162 BW). De optie tot het aansprakelijk stellen van de producent biedt de consument de mogelijkheid om personenschade (de schade die is ontstaan door letsel of door overlijden) en zaakschade (de schade die is ontstaan aan een zaak die is gebruikt in de privésfeer) te verhalen. Dit houdt echter niet in dat de producent altijd aansprakelijk is. Er is verweer mogelijk, aangezien het ook denkbaar is dat de schade mede is veroorzaakt door toedoen van de benadeelde. Daarnaast rust er op professionele kopers, zoals een garage die auto’s doorverkoopt, onder omstandigheden een onderzoeksplicht om het product te controleren op gebreken.

In sommige gevallen is het denkbaar dat de producent tevens aansprakelijk kan zijn voor schade die is geleden door een derde. Dit artikel spitst zich echter toe op de consumentenschade. De regeling van productenaansprakelijkheid zal in dit artikel uiteen worden gezet. Er wordt ingegaan op meerdere relevante begrippen, die bij het leerstuk productenaansprakelijkheid worden gebruikt. Vervolgens zal de product recall besproken worden. In het artikel zal daar waar nodig relevante jurisprudentie worden behandeld. Er zal worden afgesloten met een conclusie.

Productenaansprakelijkheid: wettelijke regeling

Productenaansprakelijkheid is een vorm van risicoaansprakelijkheid. De schuld hoeft niet te worden bewezen en de aansprakelijkheid kan ook intreden zonder dat er een onrechtmatige daad wordt gepleegd.1 Productenaansprakelijkheid is de aansprakelijkheid voor degene die een (roerende) zaak heeft geproduceerd en in het verkeer heeft gebracht, die door een daaraan klevend gebrek schade aan andere zaken of personen heeft veroorzaakt.2 De regeling vloeit indirect voort uit de Richtlijn 85/374/EEG (hierna: de ‘richtlijn’). De richtlijn is niet volledig geharmoniseerd, aangezien de richtlijn het recht van de lidstaten niet vervangt of aanvult.3

De aansprakelijke persoon is de producent en degene die het product in de Europese Economische Ruimte (hierna: ‘EER’) heeft geïmporteerd. De landen betrokken bij de EER hebben toegang tot de interne markt van de Europese Unie en werken samen op economisch gebied. Dit zijn alle landen van de Europese Unie en daarnaast Liechtenstein, Noorwegen en IJsland. In artikel 3 van de richtlijn en tevens in artikel 6:187 lid 2 tot en met 4 BW staan wie er onder producent worden verstaan. Dit zijn personen die een product heeft gefabriceerd, degene die zich als producent presenteert en degene die het product in de Europese Unie heeft ingevoerd om het in de uitvoering van zijn beroep of bedrijf aan iemand anders te verstrekken. Indien de producent onbekend is, wijst lid 4 de leverancier aan als verhaalsmogelijkheid.

De aansprakelijkheid die hieruit voortvloeit is hoofdelijk (zie artikel 5 en 6 lid 2 van de richtlijn en artikel 6:102 BW). De vordering tot schadevergoeding verjaart krachtens artikel 10 van de richtlijn drie jaar vanaf de dag dat de benadeelde kennis kreeg of had moeten krijgen van de schade, het gebrek en de identiteit van de producent. De vordering vervalt tien jaar na de dag dat het product in het verkeer is gebracht. Deze twee termijnen staan in artikel 6:191 BW. De regels van productenaansprakelijkheid sluiten aansprakelijkheid op andere gronden niet uit, zie artikel 6:193 BW.

De regeling met betrekking tot productenaansprakelijkheid kent de volgende vereisten:

Eerste vereiste: gebrekkige zaak

De regeling heeft betrekking op alle roerende zaken die in het verkeer zijn gebracht. De definities van roerende en onroerende zaken staan beschreven in de artikelen 3:2 en 3:3 BW. Een roerende zaak is een voor menselijke beheersing vatbaar stoffelijk object. Alle andere zaken zijn onroerend. Artikel 2 (vgl. artikel 6:187 BW) van de richtlijn bepaalt dat hier ook bestanddelen van andere zaken onder vallen, alsmede elektriciteit.

De zaak moet een gebrek vertonen. Daarom dient er te worden bepaald of er sprake is van een gebrek in de zin van artikel 6:185 lid 1, aanhef jo. 6:186 BW. Van een gebrek is sprake als het product niet de veiligheid biedt die men daarvan mag verwachten. Er moet dus sprake zijn van een risico van schade bij gebruik van het product. De gebrekkigheid kan worden veroorzaakt door een fout in het productieproces van een enkel exemplaar, een constructiefout van een serie producten of een instructiefout bij de presentatie van een product.4 Bij de beoordeling over de gebrekkigheid moeten krachtens artikel 6:186 BW alle omstandigheden van het geval in aanmerking worden genomen. In het bijzonder moet het redelijkerwijs te verwachten gebruik van het product door de consument en het tijdstip waarop het product in het verkeer is gebracht in aanmerking genomen worden.

Indien naar objectieve maatstaven wordt geoordeeld dat het product wordt gebruikt op een onjuiste of onvoorzichtige wijze, waarbij mede moet worden gelet op de deskundigheid van de gebruiker(s), voor wie het product redelijkerwijze is bestemd, is de producent niet aansprakelijk.5 Een zaak waarin voorgaande situatie aan bod kwam is het Lekkende Kruik I-arrest, waar geoordeeld is dat de producent er niet vanuit kan gaan dat de gebruiker steeds alle voorzorgsmaatregelen in acht neemt.6 Daarnaast, als er na het product een soortgelijk product op de markt wordt gebracht, maar het eerste product als niet-gebrekkig is gekwalificeerd, zal de producent ook niet aansprakelijk worden gesteld (zie artikel 6:182 lid 2 BW).

Met betrekking tot de kwalificatie van gebrekkigheid van een product staan er uitzonderingen geformuleerd in artikel 6:185 lid 1 BW. Deze uitzonderingsgronden moeten eng worden uitgelegd.7 Een producent is niet aansprakelijk, indien:

Hij het product niet in het verkeer heeft gebracht;
Het aannemelijk is dat het gebrek niet bestond op het tijdstip dat het product in het verkeer is gebracht, dan wel dat het gebrek later is ontstaan;
Het product niet vervaardigd of verspreid is in de uitoefening van een bedrijf of beroep;
Het gebrek het gevolg is van overeenstemming met dwingende overheidsvoorschriften;
Op grond van de stand van de wetenschappelijke en technische kennis op het tijdstip van in het verkeer brengen, was het onmogelijk om het gebrek te ontdekken;
Voor een fabrikant: het gebrek is te wijten aan het ontwerp van het product (waarvan het onderdeel een bestanddeel is) of aan de instructies die door de fabrikant van het product zijn verstrekt.

Tweede vereiste: schade

De productenaansprakelijkheid die voortvloeit uit de richtlijn strekt krachtens artikel 6:190 BW tot de schade veroorzaakt door dood of lichamelijk letsel en de beschadiging of vernietiging van een andere zaak dan het gebrekkige product, mits deze zaak gewoonlijk bestemd is voor ge- of verbruik in de privésfeer en door de benadeelde hoofdzakelijk is gebruikt voor ge- of verbruik in de privésfeer. Voor beroepsmatig gebruik bestemde en voor dat doel gebruikte zaak valt niet onder de werkingssfeer van de richtlijn. Onder deze schade valt tevens niet zuivere vermogensschade.8

Derde vereiste: causaal verband
De bewijslast ligt krachtens artikel 4 van de richtlijn bij degene die schade heeft geleden. Het is aan deze persoon om het oorzakelijk verband tussen het gebrek en de schade te bewijzen (zie hiervoor ook artikel 6:188 BW). Hieruit valt het vereiste af te leiden dat er sprake moet zijn van een causaal verband tussen het gebrek en de schade.

Product recall

De vraag resteert of er een mogelijkheid is om het risico tot aansprakelijkheidsstelling te verminderen, indien er sprake is van een gebrek dat bekend is bij de producent. Om afnemers te behoeden voor het risico om schade te lijden door het gebrekkige product, kunnen producenten verschillende maatregelen treffen. Deze maatregelen kunnen waarschuwingen bevatten tegen verder gebruik, alsmede het terughalen van de gebrekkige producten uit de handelsketen. In de literatuur wordt verschillend gedacht wat er onder product recall wordt verstaan. Bovenstaande maatregelen zouden er beide onder kunnen vallen, of slechts een van de twee. Er rust echter geen wettelijke verplichting op de producent om recall maatregelen te nemen. Deze verplichting zou wel op het ongeschreven recht kunnen worden gebaseerd. De Richtlijn 2001/95/EG verplicht producenten ertoe dat ze hun bedrijfsvoering zo inrichten dat de producent, indien nodig, een mogelijkheid heeft tot het terugroepen of het uit de markt halen van een product. De overheid moet de maatregelen kunnen afdwingen. De producent moet namelijk de overheid inlichten indien hij weet dat het product risico’s oplevert voor de consument. De recall wordt in deze richtlijn gezien als een ultimum remedium.9

‘Van een gebrek is sprake als het product niet de veiligheid biedt die men daarvan mag verwachten.’

‘Productenaansprakelijkheid is een risicoaansprakelijkheid, wat met zich meebrengt dat de aansprakelijkheid van de producent snel wordt aangenomen.’

‘Er is geen wettelijke verplichting of omschrijving van de product recall, maar deze zou kunnen volgen uit het ongeschreven recht.’

Conclusie

Kortom, de producent is aansprakelijkheid voor de personen- en zaakschade die door een consument wordt geleden, tenzij er sprake is van een of meer in de wet genoemde uitzonderingsgrond(en) op grond van de wet. Productenaansprakelijkheid is een risicoaansprakelijkheid, wat met zich meebrengt dat de aansprakelijkheid van de producent snel wordt aangenomen. Daarom hebben veel producenten ook een aansprakelijkheidsverzekering. De regeling is onvolledig geharmoniseerd uit de Richtlijn 85/374/EEG in titel 3, afdeling 3, Boek 6 BW en kent meerdere vereisten. De benadeelde dient aan te tonen dat hij specifieke schade heeft geleden, als gevolg van een gebrek in een bepaald product en dat er een causaal verband bestaat tussen deze twee. De producent kan onder omstandigheden verplicht zijn om maatregelen te treffen om afnemers te behoeden voor het risico met betrekking tot schade, ten gevolge van uit het gebrekkig product. Deze maatregelen kunnen bestaan uit waarschuwingen of het terughalen van het product uit de handelsketen. Er is geen wettelijke verplichting of omschrijving van de product recall, maar deze zou kunnen volgen uit het ongeschreven recht.

Lotje Merks (21) rondt haar derde jaar bachelor van rechten af. Op dit moment interesseert zij zich vooral voor het ondernemingsrecht en insolventierecht. Naast haar studie werkt zij op een advocatenkantoor.

Reageren op dit artikel?
Dat kan door een mail te sturen naar: juncto@jsvu.nl

Voetnoten

1 Asser/Sieburgh 6-IV 2019/265

2 Asser/Sieburgh 6-IV 2019/257

3 Asser/Sieburgh 6-IV 2019/260

4 G.H.A. Schut, Productieaansprakelijkheid, Zwolle: Tjeenk Willink 1974, p. 19 e.v.

5 G.H.A. Schut, Productieaansprakelijkheid, Zwolle: Tjeenk Willink 1974, p. 23 e.v.

6 HR 2 februari 1973, ECLI:NL:HR:1973:AB6726 (Lekkende Kruik I).

7 HvJ 10 mei 2001, C-203/99, VR 2001/111 (Veedfald).

8 HvJ 4 juni 2009, C-285/08, NJ 2009/537 (Moteurs Leroy Somer/Dalkia France).

9 C.F. Kroes, ‘Product recall’, AV&S 2004/31

Video
Share

Your name

Your e-mail

Name receiver

E-mail address receiver

Your message

Send

Share

E-mail

Facebook

Twitter

Google+

LinkedIn

Contact

Send

Sign up

Sign up