Het Nederlandse recht en de handel in relatie tot COVID-19

Tekst door: Justus Chel

Dat het coronavirus een onuitwisbare invloed heeft en zal hebben op onze samenleving moge duidelijk zijn. Hoewel de recente ontwikkelingen en bevindingen van het RIVM een positievere toekomst voorspellen dan verwacht, is het niet te ontkennen dat COVID-19 voor de aankomende jaren (en misschien zelfs wel decennia) onze maatschappij gaat veranderen. Naast de maatschappelijke ontwikkelingen zijn er uiteraard ook op andere vlakken interessante tendensen zichtbaar, zo ook op het gebied van het nationale en Europese recht. In deze bijdrage wordt dieper ingegaan op de invloed van corona op het recht in relatie tot (internationale) handel, waarbij verschillende aspecten van het handelsrecht zullen worden behandeld.

Neem bijvoorbeeld het Europese perspectief: toen duidelijk werd dat het virus minder makkelijk te beteugelen was dan werd gedacht besloten veel Europese landen om hun grenzen op slot te gooien met als gevolg dat iedere lidstaat van de EU een eigen werkwijze implementeerde.1 Ten gevolge van deze maatregelen kwam het openbare leven in vele lidstaten stil te liggen, alsmede de handelsbetrekkingen tussen de lidstaten, voor zover deze niet konden worden voortgezet. Deze maatregelen zijn evident strijdig in het licht van het verbod van art. 34 Verdrag betreffende de Werking van de Europese Unie (hierna te noemen: VWEU) ten opzicht van de Europese interne markt ex. art. 26 lid 1 jo 2 VWEU, aangezien deze markt in beginsel altijd dient te worden gewaarborgd (zie in dit verband art. 3 lid 3 Verdrag betreffende de Europese Unie (hierna te noemen: VEU)).  De huidige omstandigheden zijn er echter zo extreem dat de lidstaten een geslaagd beroep op de rechtvaardigingsgronden van art. 36 VWEU kunnen doen (ten behoeve van bescherming van de volksgezondheid), ook al wordt de interne markt hierdoor geschaad.

Gevolg hiervan is dat onder andere Nederland minder orders binnenkrijgt en dat veel ondernemers in financieel zwaar weer terecht zijn gekomen.2 Onze handel is en wordt dus ernstig geschaad door deze maatregelen, maar er is een lichtpuntje aan het einde van de tunnel. De Nederlandse staat is immers al een tijdje bezig met het doorvoeren van versoepelingen, die het weer mogelijk moeten maken dat onze samenleving langzaam maar zeker weer echt op gang begint te komen. Desondanks heeft de economie een flinke knauw gekregen, wat het Centraal Bureau voor de Statistiek ook duidelijk maakt in haar analyses.3

Wat ook niet meewerkt aan internationale handelsbetrekkingen is het feit dat de lidstaten hun eigen maatregelen hanteren en dat er dus geen sprake is van een gezamenlijke Europese aanpak. Hoewel de Europese Commissie met een ‘gecoördineerde economische respons’ kwam om een uniforme Europese aanpak te stimuleren, zal deze respons geen significant effect teweeg brengen.4 Dit blijkt wel uit de verdragsrechtelijke verankering van art. 6 sub a jo art. 2 lid 5 jo 168 lid 5 VWEU, waaruit blijkt dat de Europese Unie louter een stimulerende bevoegdheid heeft in relatie tot de volksgezondheid en dat harmonisatie of bewerkstelliging van lidstatelijke regelgevingsuniformiteit verboden is.5 Lidstaten zullen er dus zelf zoveel mogelijk voor moeten zorgen dat hun maatregelen aansluiten op de aanpak van buurlanden, hoewel dit natuurlijk makkelijker gezegd dan gedaan is.

‘De verweerder zal hier moeten aankaarten dat her virus zo onverwacht kwam en zulke verregaande gevolgen met zich meebracht dat nakoming van de verbintenis niet meer (tijdelijk) haalbaar is.’

Naast het feit dat de interne markt en de internationale handel het zwaar te verduren hebben, maakt dit virus ook duidelijk dat overeenkomsten en handelscontracten een zware tijd tegemoet gaan. De wetenschap heeft een dergelijke constatering nog niet expliciet onderschreven, maar het is geen onlogische gedachtesprong om te bedenken dat distributeurs en ondernemingen hun verplichtingen met andere ondernemingen of particulieren moeilijker of zelfs niet meer kunnen nakomen. Dit kan ervoor zorgen dat ondernemingen in de toekomst toenemend beroep zullen doen op verschillende rechtsgronden op onder hun verbintenissen uit te komen. Een dergelijke tendens valt ook te constateren in het advies van La Gro Geelkerken Advocaten, waaruit blijkt dat er vooral twee gronden zijn die naar alle waarschijnlijk de fundamentele grondslag zullen vormen in toekomstige geschillen: overmacht en onvoorziene omstandigheden.6 Het zal om die reden dan ook niet gek zijn als handelsovereenkomsten geplaagd zullen worden door ontbindingsverzoeken ex. art. 6:265 lid 1 Burgerlijk Wetboek (hierna te noemen: BW).

Een particulier of onderneming zal, als gevolg van een vordering van de wederpartij wegens tekortkoming ex. art. 6:74 lid 1 BW, een beroep doen op overmacht ex. art. 6:75 BW en stellen dat het coronavirus de partij in een dergelijke positie heeft gebracht dat de tekortkoming niet meer aan de partij te verwijten is. Per geval zal de rechter moeten oordelen of dat inderdaad het geval is.

Een andere rechtsgrond die waarschijnlijk veel gebruikt gaat worden is die van de onvoorziene omstandigheden ex. art. 6:258 lid 1 BW. De verweerder zal hier moeten aankaarten dat her virus zo onverwacht kwam en zulke verregaande gevolgen met zich meebracht dat nakoming van de verbintenis niet meer (tijdelijk) haalbaar is. Ook hier zal de rechter per individueel geval moeten oordelen of een dergelijk beroep kan worden gehonoreerd. Bij beide rechtvaardigingsgronden dient wel de kanttekening te worden gemaakt dat een partij met uitstekende en steekhoudende argumenten zal moeten komen om honorering van haar verweer te kunnen rechtvaardigen, waarbij ook gedacht moet worden aan de zware bewijslast die art. 150 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (hierna te noemen Rv) met zich meebrengt voor partij die zich op deze gronden beroept. Geen gemakkelijke opgave dus.

In relatie tot de hiervoor aangevoerde rechtvaardigingsgronden is het belangrijk dat de Nederlandse gerechten duidelijk moeten hebben omwille van de waarborging van rechtszekerheid. Zo richtte De Raad voor de Rechtspraak zich eerder tot het Kabinet Rutte-III om meer opheldering te vragen over het wetsvoorstel van Tijdelijke Wet maatregelen COVID-19.7 Zoals hiervoor is beschreven is het waarschijnlijk dat er in de nabije toekomst meer beroepen zullen worden gedaan op ontbindingsgronden, wat kan leiden tot een landelijke versnippering van rechtelijke uitspraken op dit vlak. Hoewel het al lastig is om een geslaagd beroep te doen op de hier boven beschreven rechtvaardigingsgronden, kan het juist zo zijn dat rechters strenger of soepeler gaan oordelen over deze gronden in het licht van het coronavirus. Dit is uiteraard niet wenselijk, dus het is absoluut in het belang van de Staat en de rechtspraak dat het parlement duidelijkheid geeft over aanvullende gronden om de rechtszekerheid in deze onzekere tijden optimaal te waarborgen.

Al met al kan men stellen dat het coronavirus grote invloed heeft en heeft gehad op de Nederlandse en interstatelijke handel en dat de economie daar onder lijdt. Een gebrek aan bevoegdheden van de Europese Commissie en de individuele reacties van de lidstaten op het virus maken dat de interne markt wordt geschaad en op nationaal vlak zullen de beroepen op ‘onvoorziene omstandigheden’ en ‘overmacht’ naar alle waarschijnlijkheid toenemen. Tot slot is er behoefte om de rechtszekerheid in deze tijden te garanderen, waarbij er een belangrijke taak is weggelegd voor het parlement om ervoor te zorgen dat zij passende regelgeving opstelt om dit te realiseren.

Voetnoten

1. Nederlandse Omroep Stichting, ‘Vluchten geweerd en grenzen gesloten om corona tegen te gaan’, NOS.nl, 13 maart 2020.

1 & 5. Nederlandse Omroep Stichting, ‘Elk EU-land neemt eigen coronamaatregelen, waar is de Europese aanpak?’, NOS.nl, 12 maart 2020.

2. Rijksoverheid, ‘Extra maatregelen om handelsstromen op gang te houden’, rijksoverheid.nl, 26 maart 2020.

3. Centraal Bureau voor de Statistiek, ‘Wat zijn de economische gevolgen van corona?’, CBS.nl, 30 juni 2020.

4. Commissiedocument 112 van 2020, laatste definitieve versie, para. 1.

6. La Gro Geelkerken Advocaten, ‘Handel in tijden van Corona-crisis’, lagrogeelkerken.nl, 30 juni 2020.

7. Raad voor de Rechtspraak, ‘Advies Tijdelijke wet maatregelen covid-19’, Den Haag 2020, p. 1-13.

Video
Share

Your name

Your e-mail

Name receiver

E-mail address receiver

Your message

Send

Share

E-mail

Facebook

Twitter

Google+

LinkedIn

Contact

Send

Sign up

Sign up