Kan het strafrecht het coronavirus bijbenen?

Wat in Nederland een probleem was dat ver weg lag is nu een akelige werkelijkheid geworden: het coronavirus heeft het voor elkaar gekregen om eind februari onze samenleving binnen te dringen.1 Nu het nieuws populairder is dan ooit zal het u vast niet ontgaan zijn dat rond diezelfde periode het omstreden coronalied op de radio zijn debuut heeft gemaakt. Vervolgens zou er een 24-jarige Chinees-Nederlandse studente uit Tilburg zijn mishandeld nadat zij tegen een groepje jongens had opgemerkt dat zij dit lied discriminerend vond.2

Tekst door: Yegor Ridley

LEES VERDER

Kan het strafrecht het coronavirus bijbenen?

En daarmee wordt het thema van deze bijdrage geïntroduceerd: discriminatie. Het verbod daarop is zodanig vaak in verschillende regelingen opgenomen dat je soms door de wetten de bundel niet meer ziet.3 Dit artikel richt zich echter expliciet op discriminatie binnen het strafrecht, nu het Openbaar Ministerie (hierna: OM) in beide bovenstaande gevallen een onderzoek heeft ingesteld en discriminatie vandaag de dag nog steeds actueel is. Want daar waar het coronavirus geen respect heeft voor grenzen en moeilijk beperkt kan worden ligt de hoop bij het OM om in ieder geval discriminatoire delicten op grond daarvan in toom te houden. Hiervoor is het legitimiteitsbeginsel het ultieme beginsel, hetgeen normaliter wél duidelijke grenzen en bevoegdheden bij het OM neerlegt betreffende vervolging en bestraffing. Of toch niet altijd? En zijn de relevante bepalingen betreffende discriminatie nog steeds zo actueel als de kwestie zelf?

Maar eerst het juridisch kader

Als het gaat om specifieke discriminatoire delicten (ook wel ‘pure discriminatie’ genoemd) maakt het Wetboek van Strafrecht (hierna: Sr) onderscheid in twee soorten delicten: uitingsdelicten en uitsluitingsdelicten. Bij uitingsdelicten kan er gedacht worden aan opzettelijke belediging in het openbaar (art. 137c Sr) en het aanzetten tot haat (art. 137d Sr). Bij uitsluitingsdelicten hebben wij het bijvoorbeeld over het verbieden van een persoon om in je bar te komen wegens zijn ras (art. 137g Sr).4 Het OM moet, voordat het overgaat op vervolging, daarbij de vrijheid van meningsuiting natuurlijk wel in acht nemen zodat er niet nog een ander mensenrecht in het geding komt. Deze vrijheid beperkt zich in een dergelijk geval wel tot deelname aan het maatschappelijk debat. Wat betreft het coronalied is het de vraag of er aan alle bestanddelen is voldaan (denk bijvoorbeeld aan opzet en aanzetten tot haat/geweld) en zo ja, of in dit geval de vrijheid van meningsuiting dit toelaat of juist ingeperkt moet worden.

Overigens is dit niet de eerste keer dat een lied in het Nederlandse nieuws komt vanwege beweerde discriminatoire uitlatingen. In België zijn in 2002 drie mannen veroordeeld door de correctionele rechtbank omdat zij een racistische versie van de kabouterdans hadden gedeeld via de radio en via e-mail; de makers van het lied waren onbekend. Het lied zette volgens de rechtbank duidelijk aan tot haat, geweld en discriminatie tegen een bevolkingsminderheid.5 Of dat met het coronalied ook het geval is, is aan het OM. Wat vind u?

Beter voorkomen dan bewezen

Interessant wordt het wanneer je de Ars Aequi openslaat op een willekeurig misdrijf waar met racistische uitlatingen wordt gescholden terwijl iemand uit diezelfde bevolkingsgroep wordt mishandeld en opmerkt dat geen van de ‘pure discriminatie’-artikelen vanaf 137c Sr is opgenomen in de tenlastelegging. Maakt het OM dan geen onderscheid tussen mishandeld worden om je ras en mishandeld worden omdat je iemand verkeerd aankijkt? Je zou denken dat als gelijkheid een groot goed is in Nederland (het is toch niet voor niets het eerste artikel uit onze Grondwet?), dat er dan extra maatregelen komen om misdrijven op grond van discriminatie af te schrikken.

En die maatregelen zijn er, maar misschien niet op de manier die u zou verwachten. Dit alles komt namelijk doordat er naast de specifieke discriminatoire delicten ook nog de commune feiten met een discriminatie-aspect bestaan, welk het OM sierlijk heeft geclassificeerd als CODIS-feiten. Dit zijn losstaande misdrijven zoals mishandeling die rusten op een discriminatie-aspect, hetgeen uit alle feiten en omstandigheden van het geval opgemaakt kan worden.6 Het Ars-Aequi voorbeeld valt hieronder, maar je kan hierbij ook denken aan de Chinees-Nederlandse studente die mishandeld zou zijn. Opvallend is dat er in de tenlastelegging geen woord gerept hoeft te worden over dit discriminatie-aspect; Art. 137c Sr wordt niet genoemd en hoeft dus ook niet bewezenverklaard te worden, maar een commuun feit met een discriminatie-aspect heeft wél strafverzwarende gevolgen van 50 tot zelfs 100 procent. Dit is opmerkelijk, maar daarbij moet er meteen verhelderd worden dat deze gevolgen nooit het wettelijk strafmaximum voor mishandeling te boven kunnen gaan. Indien de Officier van Justitie dus bijvoorbeeld normaal gesproken één jaar eist voor mishandeling, dan kan dit nu twee zijn (met een maximum van drie). Bovendien moet het discriminatie-aspect zeer aannemelijk zijn, in de eis worden betrokken en aan dezelfde bestanddelen voldoen als art. 137c Sr (denk aan openbaarheid en opzet).7 De eerder genoemde vrijheid van meningsuiting speelt hierbij een veel kleinere rol, aangezien deze enkel relevant is bij het aannemelijk maken van het discriminatie-aspect tijdens de beoordeling van een CODIS-feit en niet bij de mishandeling zelf. Is de mishandeling zelf bewezen zonder strafuitsluitingsgronden? Dan volgt daar hoe dan ook een straf op. Enkel de straftoemeting verschilt afhankelijk van de aannemelijkheid van het discriminatie-aspect. De vraag rijst wel meteen in hoeverre racistische uitlatingen tijdens het plegen van mishandeling kunnen bijdragen aan het maatschappelijk debat. Het aannemelijk maken van een discriminatie-aspect zal dus in veel gevallen voor weinig problemen zorgen.

Ondanks dat aannemelijkheid vereist is en het strafmaximum niet kan worden overschreden zijn er alsnog een aantal kanttekeningen te plaatsen. Het OM probeert hier duidelijk een onderscheid te maken tussen gewone mishandeling en mishandeling met een discriminatie-aspect. Maar stel, je hebt twee verschillende mishandelingen die allebei an sich drie jaar (het wettelijk maximum) cel waard zijn, maar één van die misdrijven berust op een discriminatie-aspect. Je hebt het maximum al bereikt, dus uiteindelijk wordt er in deze hypothetische situatie alsnog geen onderscheid gemaakt. En hoe zit dat met ons legitimiteitsbeginsel ‘’geen straf zonder wet’’? De vraag rijst meteen of het discriminatie-aspect wellicht niet zijn eigen plekje in het Wetboek van Strafrecht moet krijgen (in bijvoorbeeld art. 304 Sr) als strafverzwarende omstandigheid zoals wij dat momenteel ook doen bij mishandeling binnen het gezin. De Europese Commissie tegen Racisme en Intolerantie heeft dit dan ook geadviseerd, maar minister Grapperhaus heeft betoogd dat het systeem zoals dit nu is voldoende is om het beoogde doel te bereiken. Ons strafrechtelijke systeem is namelijk, aldus Grapperhaus, op zodanige wijze opgebouwd dat eigenlijk niemand het strafmaximum kan raken, waardoor er altijd wel wat spelingsruimte overblijft.8 Het blijft echter vreemd om vanuit een legitimiteitsperspectief te bedenken dat het groepje jongens dat de studente zou hebben mishandeld ‘zomaar’ een strafverdubbeling kan krijgen.

Discriminatie binnen de wet zelf?

Hetgeen hiervoor besproken is niet het enige opvallende aan artikel 137c Sr. Als men goed kijkt naar de verschillen tussen artikelen 137c Sr (opzettelijk beledigen) en 137d Sr (opzettelijk aanzetten tot haat/geweld) dan komen we tot de conclusie dat er in het eerstgenoemde artikel de term ‘geslacht’ ontbreekt als discriminatiegrond. Oftewel, je in het openbaar beledigend uitlaten tegenover een geslacht mag, maar aanzetten tot haat of geweld mag niet. De wetgever heeft er rond 1988 voor gekozen om deze term niet op te nemen in art. 137c Sr, omdat uitgesproken belediging tegenover vrouwen geen wezenlijk probleem was en omdat het hun maatschappelijke positie niet zozeer zou aantasten zoals bij discriminatoire uitlatingen tegenover bijvoorbeeld rassen wel het geval zou zijn. Ongelijkheid op dat geslachtsgebied werd meer verklaard aan de hand van de waargenomen rol die vrouwen binnen onze maatschappij hadden en dus niet door directe belediging. Daarnaast zou het de vrijheid van meningsuiting te veel inperken doordat belediging tegenover het geslacht te breed zou zijn en daar misbruik van gemaakt zou kunnen worden tegenover bijvoorbeeld auteurs. De wetgever heeft echter niet toegelicht waarom dit bij de andere discriminatiegronden zoals ras, religie en seksuele expressie anders zou moeten zijn.9

Een ander punt: hoewel transgenders (nog) niet zijn opgenomen in art. 137c Sr, worden zij door het OM wel meegenomen in de beleidsregels als het gaat om vervolging en kan een CODIS-feit met openbare belediging tegenover transgenders als discriminatie-aspect worden aangemerkt en daardoor dus ook leiden tot een strafverdubbeling.10 Het probleem is echter dat de wetgever expliciet heeft aangegeven dat genderexpressie onder de categorie ‘geslacht’ valt binnen de wet. Dit terwijl er al eerder is bewerkstelligd dat de beoordeling van het discriminatie-aspect moet berusten op de bestanddelen van art. 137c Sr. Aangezien geslacht daar niet tussen staat is dit wederom opmerkelijk. Het geslacht, op zichzelf staand, wordt hier dus als enige van deze bescherming ontzien.11

‘Het blijft echter vreemd om vanuit een legitimiteitsperspectief te bedenken dat het groepje jongens dat de studente zou hebben mishandeld ‘zomaar’ een strafverdubbeling kan krijgen.’

Streven naar lege ziekenhuizen

In het kader van ‘flatten the curve’ is het van essentieel belang dat de ziekenhuizen op dit moment niet overvol raken. De vanuit de overheid opgelegde maatregelen beogen dit te verwezenlijken. Het is daardoor net zo belangrijk dat er niemand op de intensive-care belandt vanwege mishandeling en al helemaal niet als deze mishandeling plaatsvindt wegens racistische gronden. Daarom is het naar mijn inziens tijd om nogmaals goed naar de strafrechtelijke bepalingen omtrent discriminatie te kijken en deze wellicht te herzien om verwarring te voorkomen en de preventieve werking daarvan te versterken. De burger is tenslotte geacht de wet te kennen en als hij weet waar die aan toe is, dan zal dit effect hebben op zijn gedrag. Door misdrijven met een discriminatiegrond als strafverzwarende omstandigheid neer te zetten in het Wetboek van Strafrecht wordt het duidelijk dat zulk gedrag niet door de beugel kan. Een dergelijke expliciete normstelling door de overheid laat ook wederom zien dat wij als bevolking waarde toekennen aan een veilige en gelijke omgeving voor iedereen.

Daarnaast is het ook een mogelijkheid om de term ‘geslacht’ op te nemen als discriminatiegrond voor art. 137c Sr.  Daardoor zou de tekst van het artikel overeenkomen met de praktijk van het OM. Een andere optie is het volledig schrappen van de in art. 137c Sr opgenomen discriminatiegronden en inclusiviteit als vanzelfsprekend te achten. In beide gevallen zal er altijd een afweging gemaakt moeten worden met de vrijheid van meningsuiting. Dit gebeurt dan door het OM en niet bij voorbaat door de wetgever. Hierdoor kan het strafrecht zich beter verenigen met maatschappelijke ontwikkelingen.

Yegor Ridley (22) is derdejaars rechtenstudent aan de Universiteit Utrecht. Het afgelopen jaar heeft hij zich beziggehouden met een buitenlandse studie, het organiseren van het Nationaal Appèlconcours en een meeloopstage bij Nysingh. Deze zomer wil hij na zijn scriptie vrijwilligerswerk doen voordat hij een Master overweegt. Zijn interesses liggen voornamelijk binnen het intellectueel eigendom, het strafrecht en internationaal recht.

Contact opnemen?
Dat kan via:
juncto@jsvu.nl

Voetnoten

1. ‘Eerste persoon in Nederland besmet met coronavirus’, nu.nl (online: laatste update op 28 februari 2020).

2. T. Alleman, ‘Uitgebreid onderzoek naar mishandeling Tilburgse Cindy (24) na opmerking over coronaviruslied’, AD 24 februari 2020.

3. Zie bijvoorbeeld art. 1 van de Grondwet, de Algemene Wet Gelijke Behandeling, het Burgerlijk Wetboek, de Ambtenarenwet en het EVRM.

4. Respectievelijk artikelen 137c, 137d en 137g van het Wetboek van Strafrecht.

5. Corr. Mechelen 20 september 2002, diversiteit.be (rechtspraakoverzicht).

6. Het Openbaar Ministerie, Cijfers in Beeld 2018. Overzicht discriminatiecijfers Openbaar Ministerie, 2018.

7. Kamerstukken II 2018/19, 35080, nr. 7.

8. Aanhangsel Handelingen II 2017/19, nr. 2481.

9. Kamerstukken II 1988/89, 20239, nr. 3, nr. 5, p.6 en nr. 8, p. 1.

10. Punt 1.2 van de Aanwijzing discriminatie van het Openbaar Ministerie.

11. Kamerstukken II 2018/19, 35080, nr. 7, p. 6.

Video
Share

Your name

Your e-mail

Name receiver

E-mail address receiver

Your message

Send

Share

E-mail

Facebook

Twitter

Google+

LinkedIn

Contact

Send

Sign up

Sign up