De natuurlijke verbintenis: de dringende morele verplichting

Tekst door: Nevengi Dankerlui

De naturalis obligatio– beter bekend als de natuurlijke verbintenis is een fenomeen in het Nederlands recht dat dateert uit het Romeinse tijdperk. Wanneer er gesproken wordt over de verhouding tussen jurisprudentie en het begrip ‘natuurlijke verbintenis’ wordt hoogstwaarschijnlijk gedacht aan het HR Goudse Bouwmeester arrest (1926) . Dit arrest heeft een immense impact achtergelaten op het verbintenissenrecht door een nieuwe categorie te introduceren die de natuurlijke verbintenis een grotere reikwijdte heeft gegeven. Dit arrest heeft voor het Nederlandse begrip van de natuurlijke verbintenis de ‘dringende morele verplichting’ in het leven geroepen, waarover met zekerheid gezegd kan worden dat deze een voetafdruk heeft achtergelaten in de wereld van recht en moraal. In deze bijdrage zal de natuurlijke verbintenis en haar relatie met de moraal worden besproken. Maar eerst, terug naar het verleden.

In een tijdmachine naar het Romeinse tijdperk: de naturalis obligatio

Wat men misschien niet weet is dat de natuurlijke verbintenis al jaren geleden bestond, al dan niet op de manier zoals wij die kennen. In de tijd van de Code Civil en de Instituten bestond de natuurlijke verbintenis namelijk ook al. In het geval van de natuurlijke verbintenis leidt de weg dus letterlijk naar Rome. De Romeinse natuurlijke verbintenis (hierna: naturalis obligatio) komt op verschillende plekken in de Corpus Iuris – een verzameling van wetten en rechterlijke uitspraken – terug. De volgende aspecten zijn opmerkelijk: de naturalis obligatio was niet beperkt tot het verbintenissenrecht en het werd nergens gedefinieerd. De naturalis obligatio was voornamelijk van toepassing op de verhoudingen meester-slaaf en pater familias-kind. In de verhouding meester en slaaf werd de naturalis obligatio gebruikt als manier om als meester een verplichting tegenover zijn slaaf aan te gaan. De slaven konden als gevolg van deze verbintenis noch aan derden noch aan zijn meester, wegens haar karakter, een opeisbare verplichting hebben. Deze niet-opeisbaarheid was ook van toepassing bij de interne verhouding van de slaven. Wat betekent dat slaven onderling, die dezelfde meester hadden, geen opeisbare verplichting jegens elkaar hadden. Zoals eerder gezegd was er ook sprake van een naturalis obligatio in de verhouding tussen pater familias en kind. Het gaat hier wel om kinderen ‘in postate’, wat inhoudt dat de kinderen nog onder de vaderlijke macht moesten staan. Verder was het geslacht van het kind ook van belang. Er golden andere voorwaarden voor een dochter ‘in postate’ dan een zoon ‘in postate’. In het laatstgenoemde geval kon er wel een rechtsgeldige verbintenis worden aangegaan met derden, maar slechts in beperkte mate. Dochters ‘in postate’ hadden deze optie niet.

In de naklassieke tijd werd er in diverse gevallen ook gesproken van een ‘morele verplichting’, beter gezegd slechts een morele verplichting. De partijen verbonden zich op geen enkele andere manier met elkaar. Zo waren er geen rechtsgevolgen verbonden aan de donataris tot het wederkerig geven van een geschenk.1 Om die reden kon er dus ook niet gesproken worden van een natuurlijke verbintenis. Wederom was er in de Romeinse tijd – en naklassieke tijd – nog geen mogelijkheid om aan een morele verplichting een natuurlijke verbintenis te koppelen.2

De geboorte van de ruime leer: invloed van de HR Goudse Bouwmeester (1926)

Na de beschouwing van de natuurlijke verbintenis ten tijde van het Romeinse Recht, kan nu de vraag worden gesteld: Wanneer begon de moraal dan een rol te spelen bij de natuurlijke verbintenis?

Het antwoord op deze vraag is te vinden in het Goudse bouwmeester arrest dat dateert uit 1926. In dit arrest ging het – kort samengevat – om een bouwmeester van Gouda, die een bedrag van 35,000 gulden in steekpenningen kreeg van een aannemer. Toen dit eenmaal aan het licht kwam stortte de bouwmeester de steekpenningen in de kas van de gemeente, in de hoop dat hij een eervol ontslag zou krijgen. Tot spijt kwam hij erachter dat een eervol ontslag hem niet werd gegund. Als gevolg werd het gestorte bedrag teruggevorderd op grond van een onverschuldigde betaling.3

De Hoge Raad gaf als antwoord op deze kwestie:

“(…) dat immers op grond van de geschiedenis van genoemde, aan artikel 1235 lid 2 van den Code Civil ontleende, wetsbepaling moet worden aangenomen, dat daarbij niet alleen gedacht is aan gevallen, waarin naar de positieve rechtsregeling eene schuld aanwezig is, doch het recht tot vorderen hetzij van den aanvang af heeft ontbroken hetzij door latere ingetreden omstandigheden is komen te vervallen, maar mede aan gevallen, waarin de betrokkene voldoet aan eene verplichting jegens een ander, welke slechts berust op de voorschriften van de moraal of het fatsoen;”.4

Verrassend is dat de Hoge Raad op grond van de wetsgeschiedenis beredeneert dat er niet alleen een natuurlijke verbintenis kan ontstaan op grond van positieve bepalingen (enge leer), maar ook op grond van ‘voorschriften van de moraal of het fatsoen’. Het laatste werd voor het eerst geïntroduceerd door de Hoge Raad en daarmee werd de ruime leer het leven in geroepen.5 De ruime leer omvat dus zowel de positieve bepalingen uit de wet als de moraal of het fatsoen.

‘In de naklassieke tijd werd er in diverse gevallen ook gesproken van een ‘morele verplichting’, beter gezegd slechts een morele verplichting.’

‘Verrassend is dat de Hoge Raad op grond van de wetsgeschiedenis beredeneert dat er niet alleen een natuurlijke verbintenis kan ontstaan op grond van positieve bepalingen (enge leer), maar ook op grond van ‘voorschriften van de moraal of het fatsoen’.’

 

De definitie krachtens huidig recht

Uiteindelijk komen we uit bij de huidige regeling van de natuurlijke verbintenis. De natuurlijke verbintenis wordt in ons rechtssysteem geregeld in Boek 6 van het Burgerlijk Wetboek (BW). Ze vindt haar definitie in art. 6:3 BW. Hetgeen typerend is voor de natuurlijke verbintenis is dat deze rechtens niet-afdwingbaar is. Behalve dit kenmerk ondervindt de natuurlijke verbintenis wel dezelfde rechtsgevolgen als de civiele verbintenis(sen).6 Ons Burgerlijk Wetboek kent op twee verschillende manieren een natuurlijke verbintenis toe. De eerste is wanneer de wet aangeeft dat een verbintenis niet-afdwingbaar is (lid 2 sub a). De tweede categorie is die van de ‘dringende morele verplichting’, die geïntroduceerd werd in het Goudse bouwmeester arrest en nu gecodificeerd is in sub b van het tweede lid. Verder geven de artikelen 6:4 en 6:5 BW nog aanvullende informatie met betrekking tot de natuurlijke verbintenis. Het eerste artikel is een soort schakelbepaling. Het geeft aan dat – voor zover niet wordt afgeweken – de overige bepalingen omtrent de verbintenissen ook van toepassing zijn voor de natuurlijke verbintenis. Het laatstgenoemde artikel geeft de mogelijkheid om een natuurlijke verbintenis om te zetten naar een rechtens afdwingbare verbintenis.

De uitwerking van de dringende morele verplichting: een kijkje in het artikelsgewijs commentaar

Voorop moet worden gesteld dat niet elke morele verplichting een natuurlijke verbintenis oplevert. Uitsluitend dringende morele verplichtingen kunnen dit bewerkstelligen. Het vaststellen van een dringende morele verplichting kan niet naar algemene maatstaven. Er is sprake van een vloeiende grens tussen dringende morele verplichtingen enerzijds en niet-dringende morele verplichtingen anderzijds. Er kan dus niet gesproken worden van een A tot Z stappenplan tot vaststelling van zo een dringende verplichting.7  De oorspronkelijke maatstaf werd door de Belastingkamer van de Hoge Raad gehanteerd. Er werd naar voren gebracht dat, ondanks dit misschien niet voor de hand liggend is, een subjectieve maatstaf, niet voldoende is om aan deze dringende morele verplichting te voldoen. Er moet een objectieve maatstaf worden gehanteerd. Daarbij moet er zowel aan de passieve kant als aan de actieve kant sprake zijn van dringendheid, oftewel zowel de schuld als de aanspraak moet dringend zijn. Dit wordt het aanspraakcriterium genoemd. Dit criterium is, naar aanleiding van het bovenstaande, als volgt te formuleren: “dat een op moraal of fatsoen rustende verplichting eerst dán als een natuurlijke verbintenis kan worden beschouwd, indien de omstandigheden van het geval en de verhouding van de daarbij betrokken personen de nakoming daarvan zó dringend maken, dat degene, tegenover wie zulk een verplichting bestaat, die nakoming als de vervulling van een hem toekomende, zij het in rechte niet afdwingbare prestatie mag beschouwen.”8

Dit criterium was in zijn geheel in het ontwerp-BW opgenomen, maar kan nergens als zodanig teruggevonden worden in het huidige BW. Dit criterium is namelijk in de periode tussen het ontwerp-BW en het huidige BW aangepast. De grootste wijziging vond plaats aan de actieve kant van het aanspraakcriterium. Het enkele feit dat er een verplichting bestond waar een aanspraak tegenover stond, kon niet meer als houdbaar worden geacht. Door de wijziging werd de maatschappelijke opvatting toegevoegd als maatstaf. Op grond hiervan wordt de tegemoetkomende prestatie beoordeeld. Het gaat hier wederom niet om algemene opvattingen. De rechter heeft een zekere vrijheid in het toetsen van de opvattingen in bepaalde omstandigheden.9

‘In het belastingrecht is er sprake van een natuurlijke verbintenis, wanneer bijvoorbeeld een belastingplichtige wegens dringende omstandigheden en verhoudingen zich jegens een derde verplicht voelt om te presteren.’

‘Of er voldaan wordt aan de natuurlijke verbintenis enerzijds of een schenking anderzijds wordt beoordeeld door de feiten en omstandigheden van het geval.’

Toepassing op verschillende rechtsgebieden

Je kan de natuurlijke verbintenis op verschillende plekken in het recht terugvinden. Het bestaat onder andere in het belastingrecht en het huwelijksvermogensrecht. Verder kan gedacht worden aan de welbekende stiefouder-stiefkind relatie.

In het belastingrecht is er sprake van een natuurlijke verbintenis, wanneer bijvoorbeeld een belastingplichtige wegens dringende omstandigheden en verhoudingen zich jegens een derde verplicht voelt om te presteren. Indien dit het geval is kan deze morele verplichting, als het ware, omgezet worden tot een schuld.10 In het huwelijksvermogensrecht kan bijvoorbeeld gesproken worden van een natuurlijke verbintenis indien een partner een registergoed financiert, terwijl het goed op naam van de ander staat. Dit kan onder bepaalde omstandigheden de voldoening van een natuurlijke verbintenis zijn.11

De schenking in verhouding met de natuurlijke verbintenis

Of er voldaan wordt aan de natuurlijke verbintenis enerzijds of een schenking anderzijds wordt beoordeeld door de feiten en omstandigheden van het geval. Wie de bovenstaande situatie omtrent het registergoed nauwkeurig heeft gelezen, heeft waarschijnlijk opgemerkt dat er ook sprake kan zijn van een schenking. Het verschil tussen een schenking en een natuurlijke verbintenis is dus heel erg afhankelijk van de omstandigheden van het geval. Een verschil tussen de schenking en de natuurlijke verbintenis komt duidelijk naar voren bij scheidingen. Zo wordt bij een scheiding op grond van het belastingrecht schenkingsbelasting geheven. Bij de natuurlijke verbintenis worden de betrokken partijen daarvan vrijgesteld. In de praktijk zal de belastingplichtige de Belastingdienst moeten overtuigen dat – wegens hun omstandigheden – er sprake is van een natuurlijke verbintenis in tegenstelling tot een schenking.12

Natuurlijke verbintenis in de toekomst

De natuurlijke verbintenis is een aloud fenomeen uit het recht. Door de jaren heen is er veel aan de natuurlijke verbintenis veranderd. Tot het bijna toetreden van een objectieve maatstaf naar een wat minder objectieve beoordeling krachtens huidig recht. De wortels van de natuurlijke verbintenis strekken zich uit tot verscheidene rechtsgebieden. Of de natuurlijke verbintenis zich nog meer zal ontwikkelen en in de toekomst er misschien weer heel anders uit zal zien is nog de vraag. Misschien hebben wij in de toekomst wel een volledig subjectieve natuurlijke verbintenis of een natuurlijke verbintenis die rechtens wél afdwingbaar is. Eén ding is zeker: de natuurlijke verbintenis is en blijft een bijzondere bepaling die niet voor niets na zoveel jaren nog steeds bestaat.

Nevengi Dankerlui (20) is tweedejaars bachelorstudent rechtsgeleerdheid. Ze was vorig jaar lid van de redactiecommissie. Dit jaar is zij hoofdredacteur bij de Juncto. Haar interesse ligt bij meerdere gebieden, zoals internationaal recht en privaatrecht. Buiten haar studie om houdt ze van sporten, lezen en films kijken.

Reageren? Stuur een mail naar: juncto@jsvu.nl

Voetnoten

1  C. de Koninck, Glossarium van Latijnse en Romeinse rechtstermen, Antwerpen: Maklu uitgevers 1997, p. 301.

2  R. Feenstra, Romeinsrechtelijke Grondslagen Van Het Nederlands Privaatrecht. Inleidende Hoofdstukken, Leiden: BRILL 1990, p. 132-134.

3  HR 12 maart 1926, ECLI:NL:HR:1926:AG1802, (Goudse bouwmeester).

4  HR 12 maart 1926, ECLI:NL:HR:1926:AG1802, (Goudse bouwmeester).

5  C.H. Sieburgh, Mr. C. Assers Handleiding tot de beoefening van het Nederlands Burgerlijk Recht. 6. Verbintenissenrecht. Deel I. De verbintenis in het algemeen, eerste gedeelte, Deventer: Wolters Kluwer 2016/67.

6  C.H. Sieburgh, Mr. C. Assers Handleiding tot de beoefening van het Nederlands Burgerlijk Recht. 6. Verbintenissenrecht. Deel I. De verbintenis in het algemeen, eerste gedeelte, Deventer: Wolters Kluwer 2016/60.

7  C.H. Sieburgh, Mr. C. Assers Handleiding tot de beoefening van het Nederlands Burgerlijk Recht. 6. Verbintenissenrecht. Deel I. De verbintenis in het algemeen, eerste gedeelte, Deventer: Wolters Kluwer 2016/74-75.

8  C.H. Sieburgh, Mr. C. Assers Handleiding tot de beoefening van het Nederlands Burgerlijk Recht. 6. Verbintenissenrecht. Deel I. De verbintenis in het algemeen, eerste gedeelte, Deventer: Wolters Kluwer 2016/74.

9  C.H. Sieburgh, Mr. C. Assers Handleiding tot de beoefening van het Nederlands Burgerlijk Recht. 6. Verbintenissenrecht. Deel I. De verbintenis in het algemeen, eerste gedeelte, Deventer: Wolters Kluwer 2016/75.

10  A.J.M Arends, Cursus Belastingrecht. Inkomstenbelasting, Deventer: Wolters Kluwer, IB.5.1.5.D, p. 1084.

11  T.H. Sikkema, 8. Voorbeelden van dringende morele verplichtingen in: R.J.Q. Klomp & H.N. Schelhaas (red.), Groene Serie Verbintenissenrecht, Deventer: Wolters Kluwer.

12  ‘Belastbare schenking of voldoening aan een natuurlijke verbintenis?’, de scheidingsdeskundige.nl, 24 juli 2015.

Video
Share

Your name

Your e-mail

Name receiver

E-mail address receiver

Your message

Send

Share

E-mail

Facebook

Twitter

Google+

LinkedIn

Contact

Send

Sign up

Sign up