Behelst het recht om te leven óók een recht om dood te gaan? Het Straatsburgse oordeel in de zaak Pretty. v. UK.

De vrijheid van meningsuiting gaat gepaard met een recht om stil te zijn. Het recht om te trouwen impliceert ook een recht om hiervan af te zien. De vrijheid van vereniging bevat ook een recht om jezelf niet te verenigen. In hoeverre gaat het recht om te leven gepaard met het recht om dood te gaan? In de nog altijd relevante zaak Pretty v. UK (2002) heeft het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) zich over deze ethisch zwaar beladen vraag gebogen.

Tekst door: Lucas de Vet

LEES VERDER

In de bijdrage zal ik deze belangrijke zaak annoteren. Allereerst zal ik ingaan op de feiten en omstandigheden omtrent de persoon Diane Pretty, welke gegarandeerd op empathie kunnen rekenen. Vervolgens zal bezien worden op welke manier het EHRM hiermee omgaat. Deze zaak is onder meer interessant vanwege de vele verschillende verdragsartikelen waarop Pretty zich beroept. Dit is namelijk het recht op leven (artikel 2 EVRM), het verbod op foltering (artikel 3 EVRM), het recht op eerbiediging van privé, familie- en gezinsleven (artikel 8 EVRM) en ten slotte het verbod van discriminatie (artikel 14 EVRM). Deze beroepsgronden zullen afzonderlijk de revue passeren, waarna ik zal ingaan op de implicaties van deze uitspraak voor de Europese staten en mijn eigen oordeel over deze uitspraak.

Feiten en omstandigheden
Aan het einde van de vorige eeuw lijdt Diane Pretty aan een ernstige spierziekte, meer specifiek motorneuronziekte, waardoor ze in haar gehele lichaam de gevolgen van zware spierverzwakkingen en uitval ondervindt. De ziekte heeft haar intellect en haar vermogen om beslissingen te maken echter niet aangetast. Normaliter heeft de ziekte van Pretty de dood als gevolg aangezien geen behandeling bestaat die de verdere voortgang van deze ziekte tegengaat. Op een zeker moment wordt Pretty haar levensverwachting nog maar geschat op enkele weken, hooguit enkele maanden. Pretty heeft angsten voor de grote gevolgen van haar ziekte op haar lichaam en wenst niet langer te leven vanwege de pijn die zal optreden in de laatste fase van haar leven.1

In het Verenigd Koninkrijk is zelfdoding niet verboden gesteld. Het probleem is echter dat Pretty haar lichamelijke gesteldheid het niet toestaat om eigenhandig een einde te maken aan haar leven. Pretty haar man is bereid om haar bij de beëindiging van haar leven te assisteren, zij het dat dit wél verboden is onder het geldende recht van het Verenigd Koninkrijk. Om strafrechtelijke vervolging van haar man te voorkomen poogt Pretty een bevestiging te krijgen van de publieke aanklager dat haar man niet vervolgd zal worden wanneer hij haar bijstaat bij het beëindigen van haar leven. Deze immuniteit wordt echter niet door de publieke aanvrager gegeven, waarna Pretty tegen dit besluit in beroep gaat. Zowel bij het Divisional Court als het hoger beroep bij het House of Lords wordt haar vordering tegen vernietiging van dit besluit afgewezen. Nadat Pretty de nationale rechtsmiddelen heeft uitgeput, wendt Pretty zich tot het EHRM in Straatsburg.

Het beroep bij het Europees Hof voor de Rechten van de Mens
Pretty stoelt haar vordering op verschillende fundamentele rechten van het EVRM. De belangrijkste daarvan zijn het recht op leven (art. 2 EVRM), het verbod op foltering (art. 3 EVRM), het recht op eerbiediging van privé-, familie- en gezinsleven (art. 8 EVRM) en het verbod van discriminatie (artikel 14 EVRM). Deze verschillende gronden worden nu afzonderlijk van elkaar besproken.

Het recht op leven
Volgens Pretty beschermt artikel 2 EVRM niet het leven op zichzelf, maar uitsluitend het recht om te leven.2 Ze stelt dat artikel 2 EVRM strekt tot het bieden van bescherming van het individu tegen de Staat en andere publieke organen. Het zou tot de zelfbeschikking van het individu behoren om al dan niet door te gaan met leven. Hoewel de meeste mensen willen leven, bestaan in elke samenleving mensen die dit niet langer willen. Pretty behoort tot deze laatste categorie en meent dan ook dat zij onder het beschermingsbereik van dit artikel valt.

Het EHRM kan zich niet vinden in deze interpretatie van Pretty. Het Hof beschouwt artikel 2 EVRM als een van de meest fundamentele bepalingen van het EVRM. Wanneer de eerbiediging van het recht op leven niet wordt gewaarborgd, dan zou men geen aanspraak kunnen maken op de andere rechten van het EVRM. Daarnaast is het Europees Hof niet overtuigd dat je op taalkundige wijze een recht om dood te gaan uit een recht op leven kan interpreteren. Al met al komt het EHRM tot de conclusie dat uit het in artikel 2 EVRM vastgelegde recht op leven geen recht om dood te gaan kan worden ontleed. In de literatuur wordt deze beredenering van het EHRM niet als onaanvaardbaar geacht, gezien de gevolgen die een andersluidend oordeel met zich mee zou brengen.3 Als het Hof namelijk bepaalt dat wél een recht om dood te gaan zou worden ontleed uit deze verdragsbepaling, dan zou dit de mogelijkheden van de Europese staten om naar eigen inzicht euthanasieregelgeving op te stellen drastisch beperken. Het is dan ook gebruikelijk dat het EHRM bij dergelijke ethisch beladen vraagstukken een zogenaamde margin of appreciation (beoordelingsmarge) aan de verdragspartijen toekent.4

Het verbod op foltering
Pretty betoogt dat zowel de weigering van de publieke aanklager om te bevestigen dat zij haar man niet zal vervolgen wanneer laatstgenoemde Pretty bijstaat bij het beëindigen van haar leven, als het strafrechtelijke verbod om assistentie te geven bij het plegen van zelfmoord, leiden tot onmenselijke en vernederende behandeling waarvoor het Verenigd Koninkrijk verantwoordelijk is.5 Het EHRM toont haar sympathie voor de situatie van Pretty en onderkent dat zij niet eigenhandig in staat is om haar leven te beëindigen. Toch oordeelt het Hof – gelet op haar eerdere rechtspraak – dat het verbod op foltering geen positieve verplichting met zich meebrengt die de Engelse staat zou verplichten om een bevestiging te geven dat zij de man van Pretty niet zullen vervolgen of het assisteren van zelfmoord in dit geval toe te staan. Met andere woorden: het verbod op foltering is niet geschonden door het Verenigd Koninkrijk.

Recht op eerbiediging van privé-, familie- en gezinsleven
Het argument dat het recht op de eerbiediging van het privéleven van Pretty zou zijn geschonden is ook interessant. Allereerst stelt ze vast dat het recht op zelfbeschikking behoort tot de geest van het EVRM en dat dit recht het meest expliciet naar voren komt in artikel 8 EVRM.5 Dit recht zou met zich meebrengen dat zij haar eigen beslissingen mag maken over haar lichaam, alsmede de beslissing hoe en wanneer zij wenst dood te gaan. De weigering van de publieke aanklager om haar man strafrechtelijke immuniteit te verschaffen en het wettelijke verbod op assistentie bij het plegen van zelfmoord zouden het recht op eerbiediging van Pretty’s privéleven schenden.
In de beoordeling van deze beroepsgrond door het Hof gaat het Hof allereerst in op de brede reikwijdte van het begrip ‘privéleven’. Vervolgens stelt het Hof dat de wijze waarop Pretty de laatste momenten van haar leven wenst te besteden een gedeelte is van het leven, welke gerespecteerd dient te worden.7 Deze beredenering sluit volgens het Hof aan bij de essentie van het EVRM: het respect voor menselijke waardigheid en vrijheid. Het Hof onderkent dat in een tijdperk van toenemende levensverwachting onder veel mensen de opvatting bestaat dat zij niet gedwongen moeten worden om te blijven leven in een staat die haaks staat op hun eigen persoonlijke overtuigingen.8 Hoewel het Hof niet expliciet stelt dat het Engelse recht zonder meer een inbreuk vormt op de eerbiediging van haar privéleven, is het ook niet bereid om dit uit te sluiten. Vervolgens bekijkt het EHRM of een beperking van het recht gerechtvaardigd zou kunnen worden. Het Hof stelt dat het Engelse verbod op het assisteren van zelfmoord een legitiem doel nastreeft, namelijk het beschermen van de zwakken, kwetsbaren en vooral degenen die niet in staat zijn om rationele beslissingen te nemen over het beëindigen van hun leven. Het wettelijke verbod wordt niet als disproportioneel gezien in verhouding met dit doel. Vandaar kan de beperking als noodzakelijk in een democratische samenleving worden geacht. Het Straatsburgse Hof komt tot de conclusie dat ook artikel 8 EVRM niet is geschonden.

‘Al met al komt het EHRM tot de conclusie dat uit het in artikel 2 EVRM vastgelegde recht op leven geen recht om dood te gaan kan worden ontleed.’

‘Ondanks dat Pretty’s situatie bij de meeste mensen op sympathie kan rekenen, is het begrijpelijk dat het EHRM zich niet laat verleiden tot het doen van andersluidende uitspraak.’

‘Dit houdt in dat het de Europese staten in de eerste plaats verantwoordelijk zijn voor het waarborgen van mensenrechten en het beoordelen van mogelijke schendingen daarvan.’

Vrijheid van geweten, gedachte en godsdienst
Een ander interessante mogelijke verdragsschending wordt door Pretty aangevoerd aan de hand van de vrijheid van geweten, gedachte en godsdienst (artikel 9 EVRM). Pretty geloofde en steunde namelijk het volgende: de mogelijkheid van het bijstaan van anderen bij het plegen van haar zelfmoord. Nu het Verenigd Koninkrijk het uitoefenen van haar ‘geloof’ strafrechtelijk heeft verboden zonder blijk te geven van haar bijzondere omstandigheden zou geen recht worden gedaan aan deze verdragsbepaling.9 Het Straatsburgse Hof is echter snel klaar met deze uitgerekte opvatting van het begrip ‘geloof’: niet alle meningen of overtuigingen zijn te kwalificeren als een ‘geloof’ in de zin van artikel 9 EVRM.

Het verbod van discriminatie
Ten slotte meent Pretty dat het Verenigd Koninkrijk door het toepassen van het strafrechtelijke verbod van het geven van assistentie bij zelfmoord zich schuldig heeft gemaakt aan discriminatie. Dit legt ze uit op de volgende manier. Het strafrechtelijke verbod is weliswaar van toepassing op iedereen, maar omdat zij niet in staat is om zelfmoord te plegen zou de toepassing van het verbod in haar situatie leiden tot discriminatie. Dit omdat anderen een einde konden maken aan het leven in tegenstelling tot Pretty.
Bij een beoordeling van een mogelijke schending van het verbod van discriminatie kijkt het Straatsburgse Hof steevast naar de vraag of de behandeling van personen op een verschillende wijze een legitiem doeleinde heeft en een redelijke rechtvaardiging. Daarbij hebben lidstaten, wederom, een margin of appreciation bij de vraag in hoeverre een vergelijkbaar geval een verschillende behandeling rechtvaardigt. Naar het oordeel van het EVRM vindt in het voorliggende geval een objectieve en redelijke rechtvaardiging plaats voor het feit dat bij de toepassing van de verbodsbepaling geen onderscheid wordt gemaakt tussen zij die wél in staat zijn om eigenhandig zelfmoord te plegen en zij die fysiek niet in staat zijn om dit te doen. Het EHRM houdt daarbij rekening met het doel van de wet en het gevaar voor misbruik daarvan wanneer zij anders zou oordelen. Al met al komt het EHRM tot de conclusie dat ook artikel 14 EVRM niet is geschonden.

Gevolgen voor lidstaten en concluderende woorden
Pretty komt kort na de uitspraak van het EHRM te overlijden. Voor haar heeft het beroep in Straatsburg dus geen positieve gevolgen gehad. Afgevraagd kan worden in hoeverre de uitspraak gevolgen heeft voor de Europese lidstaten. Het belangrijkste is uiteraard dat uit het recht van leven geen recht tot dood te gaan valt af te leiden. Ondanks dat Pretty’s situatie bij de meeste mensen op sympathie kan rekenen, is het begrijpelijk dat het EHRM zich niet laat verleiden tot het doen van andersluidende uitspraak. Dit zou namelijk drastische gevolgen hebben voor de mogelijkheden van lidstaten om ethisch beladen vraagstukken zoals het plegen van zelfmoord en euthanasie naar eigen inzicht te reguleren. Al sinds het vroege begin van het EHRM in de uitspraak Handyside v. UK (1976) is het duidelijk dat het toezichtsmechanisme van het Hof subsidiair van aard is.10 Dit houdt in dat het de Europese staten in de eerste plaats verantwoordelijk zijn voor het waarborgen van mensenrechten en het beoordelen van mogelijke schendingen daarvan. In de uitspraak van Pretty v. UK, waarin ethisch beladen vraagstukken aan de orde zijn gekomen, is dit zonder meer het geval. Het Hof acht het namelijk onmogelijk om een uniforme waarneming van morele waarden op te stellen, want morele waarden verschillen van tijd tot tijd en van plaats tot plaats. Hierdoor acht het Straatsburgse hof de nationale rechters in beginsel in een betere staat om nationale schendingen van het EVRM te beoordelen. Het Hof toont sympathie voor de situatie van Pretty, maar komt tot de conclusie dat het Verenigd Koninkrijk niet zijn boekje te buiten is gegaan. Ondanks dat Pretty niet in het gelijk wordt gesteld door het EHRM heeft haar rechtszaak de discussie over het recht om dood te gaan in Engeland aanzienlijk opgelaaid.11 Vandaar dat het leven van Pretty toch zonder meer waardevol was.

Lucas (24) is momenteel bezig met de afronding van de master European Law. Eerder heeft hij al de master Staats- en bestuursrecht behaald. Een gedeelte van zijn onderwijs heeft Lucas aan de Italiaanse universiteit LUISS Guido Carli genoten. De afgelopen jaren heeft hij meerdere stages gelopen bij zowel een klein- als grootschalig advocatenkantoor.

Reageren op dit artikel?
Dat kan door een mail te sturen naar: juncto@jsvu.nl

Voetnoten

1  EVRM 29 april 2002, ECLI:CE:ECHR:2002:0429JUD000234602, r.o. 7-8.

2  EHRM 29 april 2002, ECLI:CE:ECHR:2002:0429JUD000234602 (Pretty v. UK), r.o 4.

3  A. Mowbray, ‘Cases and Materials on the European Convention on Human Rights’, Oxford University Press: Oxford 2007 p. 110-11.

4  Justice Initiative, ‘Margin of Appreciation. An overview of the Strasbourg Court’s margin of appreciation doctrine.’ Justice Initiative https://www.justiceinitiative.org/uploads/918a3997-3d40-4936-884b-bf8562b9512b/echr-reform-margin-of-appreciation.pdf < laatst geraadpleegd 28-02-2020 >

5  EHRM 29 april 2002, ECLI:CE:ECHR:2002:0429JUD000234602(Pretty v. UK), r.o. 11.

6  EHRM 29 april 2002, ECLI:CE:ECHR:2002:0429JUD000234602(Pretty v. UK), r.o. 58.

7  EHRM 29 april 2002, ECLI:CE:ECHR:2002:0429JUD000234602(Pretty v. UK), r.o. 64.

8  EHRM 29 april 2002, ECLI:CE:ECHR:2002:0429JUD000234602(Pretty v. UK), r.o. 65.

9  EHRM 29 april 2002, ECLI:CE:ECHR:2002:0429JUD000234602 (Pretty v. UK), r.o. 80.

10  EHRM 7 december, ECLI:NL:XX:1976:AC0070 (Handyside), r.o. 49.

11 Mirror, ‘Woman inspired after watching show about Diane Pretty’s brave fight for right to die marries her widower’, 13 May 2017 https://www.mirror.co.uk/news/uk-news/woman-inspired-after-watching-show-10415972 < laatst geraadpleegd op 28 februari 2020 >

Video
Share

Your name

Your e-mail

Name receiver

E-mail address receiver

Your message

Send

Share

E-mail

Facebook

Twitter

Google+

LinkedIn

Contact

Send

Sign up

Sign up