Het milieu als soldaat: is ons milieu wel voldoende beschermd ten tijde van oorlogssituaties?

Tekst door: Erica de Boer

In oorlogssituaties wordt vaak gesproken over alle onschuldige mensen die leed aan wordt gedaan door de verschillende oorlogsdaden. Uiteraard is het belangrijk dat hier aandacht aan wordt geschonken, het aantal mensen dat bijvoorbeeld in de oorlog in Syrië te overlijden is gekomen is afschuwelijk. Echter, niet alleen de mens, maar ook de natuur wordt leed aan gedaan in oorlogssituaties. Het milieu wordt in bepaalde situaties ingezet als oorlogsmiddel. In een wereld waarin steeds duidelijker wordt hoe belangrijk het in standhouden van de natuur is voor de gezondheid van de mens, maar ook de aarde in het algemeen, is het belangrijk dat ook aan de kwetsbaarheid van de natuur aandacht wordt geschonken. Ook in de internationale gemeenschap wordt steeds duidelijker dat het onderwerp ‘milieubescherming in oorlogssituaties’ meer aandacht verdient. In hoeverre wordt het milieu op dit moment beschermd in oorlogssituaties? Is deze bescherming in de praktijk doeltreffend of moeten we in het oorlogsrecht meer aandacht schenken aan de bescherming van het milieu ten tijde van oorlogen, waarbij steeds verdergaande technieken worden gebruikt die zeer destructief kunnen zijn? In dit artikel wordt een antwoord worden gezocht op deze vragen.

Hoe wordt het milieu ingezet als oorlogsmiddel?

De mogelijkheden om wijzigingen aan het milieu in te zetten als oorlogsmiddel worden al sinds omstreeks 1940 onderzocht. De Verenigde Staten (hierna: de VS) startte toen met het experimentele Cirrus-project. Dit houdt in dat middels ‘cloud seeding’, het bezaaien van de wolken met chemische producten, wordt getracht het te laten regenen. Dit onderzoek kreeg vooral veel aandacht tijdens de Vietnamoorlog. De VS begon toen met het POPEYE-project, waarbij zij de wolken bezaaide met zilverjodide om het te laten regenen. Zij hoopten dat hierdoor overstroming zouden ontstaan die de bevoorrading van de vijanden zou hinderen.1

Verder wordt er in sommige gevallen ook schade aan het milieu toegebracht om een ander land op economisch gebied te raken. Denk bijvoorbeeld aan het in brand zetten van olietanks in Irak, of het laten wegvloeien van olie in de Perzische golf tijdens de Golfoorlog van 1990-1991.2

Juridisch kader: huidig beschermingsregime van het milieu in oorlogssituaties

Er bestaat reeds een beschermingsregime voor het milieu in het huidige internationale recht. Er zijn bijvoorbeeld bepalingen over milieubescherming in oorlogstijd opgenomen in het Aanvullend protocol bij de Verdragen van Genève van 8 juni 1977 (hierna: Aanvullend protocol). Op het moment zijn 171 staten partij bij het Aanvullend protocol.3 In dit Aanvullend protocol staat in artikel 35 lid 3 opgenomen dat het verboden is “methoden of middelen van oorlogvoering te gebruiken, bestemd om omvangrijke, langdurige en ernstige schade aan het natuurlijk milieu toe te brengen, of die dergelijke schade, naar kan worden verwacht, zullen toebrengen”. Daarnaast staat in artikel 55 lid 1 van dit Aanvullend protocol dat het milieu bij oorlogsdaden moet worden beschermd tegen omvangrijke, langdurige en ernstige schade. Hierbij wordt genoemd dat deze bescherming mede het verbod van het gebruik van strijdmiddelen die bestemd zijn om zodanige schade aan het milieu aan te brengen dat daardoor de gezondheid of de overleving van de burgerbevolking in gevaar wordt gebracht omvat. Deze artikelen werd toegevoegd naar aanleiding van het gebruik van het ontbladeringsmiddel Agent Orange door de VS tijdens de Vietnamoorlog.4 Dit chemische middel zorgt ervoor dat, zoals de naam al zegt, een plant of boom zijn bladeren verliest. Het middel werd gebruikt om schuilplaatsen in bossen of jungles van de tegenstanders te onthullen.

De artikelen hebben beide een andere context. Artikel 35 lid 3 omvat een algemeen verbod en is opgenomen in de sectie ‘grondrechten’, terwijl artikel 55 lid 1 meer een zorgplicht betreft en is opgenomen in de sectie ‘burgerbescherming’.

Ook het hiervoor besproken POPEYE-project bracht opschudding teweeg, wat tijdens de VN-Ontwapeningsconventie uiteindelijk leidde tot het aannemen van het Verdrag ‘Inzake het Verbod op het Gebruik van Milieuveranderingstechnieken voor Militair of Ander Vijandig Gebruik’, beter bekend onder de afkorting ENMOD-conventie (Environmental Modification Convention).  In artikel 1 van dit verdrag is een verbod neergelegd op technieken van milieu modificatie die omvangrijke, langdurige of ernstige schade toebrengen aan het milieu.

In de internationale gemeenschap wordt overigens wel steeds duidelijk dat milieubescherming in oorlogssituaties meer aandacht verdient. Dit blijkt bijvoorbeeld uit het feit dat in 2001 de Algemene Vergadering van de VN 6 november uitriep als ‘International Day for Preventing the Exploitation of the Environment in War and Armed Conflict’. Daarnaast werd in 2009 door de United Nations Environment Program, een onderzoeksrapport uitgebracht over de bescherming van het milieu tijdens gewapende conflicten. Hierin is een overzicht en analyse van de huidige regelgeving op dit gebied gegeven.5

Naast geschreven recht kan volgens Erik V. Koppe, Universitair Docent in Leiden, ook worden verdedigd dat sprake is van drie regels van internationaal gewoonterecht. Dit zijn 1) een algemene zorgplicht ten aanzien van het milieu tijdens een gewapend conflict, 2) een verbod voor staten om opzettelijk milieuschade te veroorzaken en 3) een verplichting voor staten om excessieve bijkomende schade aan het milieu te voorkomen.6

‘De VS begon toen met het POPEYE-project, waarbij zij de wolken bezaaide met zilverjodide om het te laten regenen.’

‘Er bestaat dus wel regelgeving op het gebied van milieubescherming in conflictsituaties, maar de vraag rijst of deze bescherming  en handhaving wel afdoende is.’

 

Effectiviteit van de huidige instrumenten

Er bestaat dus wel regelgeving op het gebied van milieubescherming in conflictsituaties, maar de vraag rijst of deze bescherming  en handhaving wel afdoende is. De hiervoor genoemde artikelen uit het Aanvullend protocol lijken in de praktijk vooral bescherming te bieden voor zware gevallen van bedoelde of onbedoelde milieuschade. Deze artikelen vereisen dat sprake is van omvangrijke, langdurige én ernstige schade aan het milieu. In veel gevallen zal dus niet aan de aansprakelijkheidsdrempel van deze artikelen worden voldaan.  Bij de ENMOD-conventie is het woord ‘en’ vervangen door het woord ‘of’ en lijkt de drempel dus iets minder hoog. Echter, dit verdrag ziet enkel op technieken van milieu modificatie en in de praktijk blijkt het lastig te identificeren welke technieken binnen de reikwijdte van de conventie vallen.7 In het geval van nationale conflicten biedt het internationaal milieurecht wellicht uitkomst. Dit recht blijft bij niet-internationale conflicten immers onverkort gelden voor de staat waarin het conflict plaatsvindt. Deze staat mag dus in principe geen grensoverschrijdende milieuschade veroorzaken. Wellicht kan bescherming van het milieu via het internationaal milieurecht ook beter worden gewaarborgd bij internationale conflicten.8

‘Hoewel er verschillende verboden in internationale verdragen zijn neergelegd ten aanzien van het toebrengen van milieuschade tijdens oorlogen, blijken deze verboden in de praktijk niet effectief genoeg te zijn.’

Er wordt ook gesproken over een vijfde Geneefse Conventie die van het beschadigen van het milieu tijdens oorlogen een oorlogsmisdaad zou moeten maken. Dit is overigens al onderwerp van discussie sinds de Golfoorlog van 1990-1991, toen duidelijk werd dat de milieugevolgen van deze oorlog aanzienlijk waren. Een vijfde Geneefse Conventie is echter nog niet tot stand gekomen. Een groep van 24 wetenschappers publiceerde daarom onlangs een brief in het tijdschrift Nature, gericht aan de International Law Commission van de VN. Hierin bepleiten zij de noodzaak van een multilateraal verdrag dat bescherming van het milieu biedt en ervoor zorgt dat de militaire industrie aansprakelijk kan worden gehouden voor de gevolgen die haar acties op het milieu heeft.9

‘Daarnaast biedt het internationale milieurecht, in elk geval bij niet-internationale conflicten, wellicht uitkomst.’

Conclusie

Hoewel er verschillende verboden in internationale verdragen zijn neergelegd ten aanzien van het toebrengen van milieuschade tijdens oorlogen, blijken deze verboden in de praktijk niet effectief genoeg te zijn. Er wordt daarom gediscussieerd over een Vijfde Geneefse conventie, waarin het verbod op het toebrengen van milieuschade wordt benadrukt en een duidelijke aansprakelijkheidsgrond voor de militaire industrie wordt neergelegd. Discussies over deze nieuwe Geneefse conventie zijn echter al sinds 1990 gaande en het is dus de vraag of er ooit, of in elk geval binnen afzienbare tijd, een Vijfde conventie zal komen. De oplossing zal daarom wellicht meer moeten worden gezocht in nieuwe bepalingen in de huidige verdragen, die een ruimere reikwijdte hebben en het aansprakelijk stellen van de militaire industrie vergemakkelijken. Daarnaast biedt het internationale milieurecht, in elk geval bij niet-internationale conflicten, wellicht uitkomst. Hoe dan ook zal moeten worden getracht de bescherming van het milieu in oorlogssituaties te verbeteren, want een ding is duidelijk: het milieu is geen soldaat en moet daarom niet als oorlogsmiddel worden ingezet.

Erica de Boer (20) is momenteel bezig met het afronden van haar bachelor. Vorig jaar heeft zij onder andere een bestuursjaar gedaan bij Urios en is zij actief geweest bij de Rechtswinkel Utrecht. Dit jaar zal zij een semester in Nieuw-Zeeland studeren om zich verder te ontwikkelen. Erica is met name geïnteresseerd in het (internationaal) milieurecht.

Reageren? Stuur een mail naar: erica@maildeboer.nl

Voetnoten

1.K.C. Harper, ‘Climate control: United States weather modification in the cold war and beyond’, Endeavour 2008/32, afl. 1, p. 20-26, p. 25.

2.  E.V. Koppe, ‘Bescherming van het milieu tijdens gewapend conflict: capita selecta’,  Focus op IHR; Bescherming onder het internationaal humanitair recht 2011, Rode Kruis-Vlaanderen, p. 54-69, p. 55.

3. Idem, p.60.

4. P. Luttikhuis, ‘Ook deze strijd schaadt het milieu’, NRC 11 april 2003, geraadpleegd via www.nrc.nl.

5. E.V. Koppe, ‘Bescherming van het milieu tijdens gewapend conflict: capita selecta’,  Focus op IHR; Bescherming onder het internationaal humanitair recht 2011, Rode Kruis-Vlaanderen, p. 54-69, p. 56.

6. Idem, p.61.

7. C. Bannelier-Christakis, ‘International Law Commission and Protection of the Environment in Times of Armed Conflict: A Possibility for Adjudication?’, Journal of International Cooperation Studies 2013/20, afl. 2, p. 129-144, p. 135-136.

8. E.V. Koppe, ‘Bescherming van het milieu tijdens gewapend conflict: capita selecta’,  Focus op IHR; Bescherming onder het internationaal humanitair recht 2011, Rode Kruis-Vlaanderen, p. 54-69, p. 56.

Idem, p.63.

9. S. M. Durant en J.C. Brito, ‘Protect environment from armed conflicts’, Nature 2019/571, p.478.

4. Idem.

5. K. van Teffelen, ‘Iedereen in de DNA-databank? Dat helpt niet echt’, https://www.trouw.nl/home/iedereen-in-de-dna-databank-dat-helpt-niet-echt~a56c9758/. 23 augustus 2018 (laatst geraadpleegd op 27 januari 2019).

Video
Share

Your name

Your e-mail

Name receiver

E-mail address receiver

Your message

Send

Share

E-mail

Facebook

Twitter

Google+

LinkedIn

Contact

Send

Sign up

Sign up