Nederlandse rechtspraak

Ten tijde van de Tweede Wereldoorlog

Tekst door: Dennis kok

LEES VERDER

Inleiding

De trias-politica houdt de scheiding der machten in. De uitvoerende, wetgevende en controlerende macht moeten onafhankelijk van elkaar (kunnen) functioneren. Geldt deze verhouding ook in oorlogstijd? Een tijd waarin het veelal met democratische waarden niet te nauw wordt genomen. In dit artikel bespreek ik de houding van de rechtspraak ten tijde van de Tweede Wereldoorlog. Kon deze nog wel onafhankelijk functioneren? Deze vraag zal ik beantwoorden worden aan de hand van verscheidene rechtspraak, welke de bezetter wel of niet in de kaart speelde.

Eerste jaren

Vermeende onafhankelijke rechtspleging

Arthur Seyss-Inquart, de door Adolf Hitler aangestelde Rijkscommissaris voor het bezette Nederland, liet per verordening van 29 mei 19401 afkondigen dat hij bevoegd was om wetgevende maatregelen te nemen. De kanttekening werd daarbij gemaakt dat het Nederlands recht wel van kracht zou blijven, mits deze verenigbaar was met de bezetting. De rechtspleging bleef onafhankelijk. De Nederlandse juristerij was gerustgesteld door deze woorden.2

De Duitsers leken daarbij rekening te houden met het Landoorlogreglement. Dit was een in 1907 in Genève tot stand gekomen internationaal verdrag dat duidde hoe moest worden gehandeld in bezette gebieden. Dit leek meer zekerheid te bieden dan dit daadwerkelijk het geval was, getuige art. 43:

“Wanneer het gezag van de wettelijke overheid feitelijk is overgegaan in handen van degene, die het gebied heeft bezet, neemt deze alle maatregelen, die in zijn vermogen staan, ten einde voor zoveel mogelijk de openbare orde en het openbare leven te herstellen en te verzekeren en zulks, behoudens volstrekte verhindering, met eerbiediging van de in het land geldende wetten.”3

Te lezen valt dat de bezetter in essentie de in het land geldende wetten moet eerbiedigen. Echter, de waarborging is gebaseerd op een ‘open norm’. De in het land geldende wetten behoeven niet geëerbiedigd te worden indien deze het herstellen van openbare orde volstrekt verhinderen. Onder deze noemer voerden de Duitsers vrijwel al hun regelgeving door.4

Meegaande houding

In oktober 1940 ontvouwde zich de eerste mogelijkheid voor ons hoogste rechtscollege om protest aan te dienen. De bezetter sommeerde alle ambtenaren om de ariërverklaring te ondertekenen. Deze discriminatoire verklaring druiste in tegen de vereiste onafhankelijkheid van de rechterlijke macht,6 welke door de Duitsers meende gewaarborgd te worden.

Destijds protesteerden de twee Leidse hoogleraren Rudolph Cleveringa en Ben Telders tegen deze maatregel.7 Zij riepen de Hoge Raad op om een voorbeeld te stellen en niet te tekenen. De oproep faalde jammerlijk. op de Joode president Lodewijk Visser na hebben alle raadsheren de verklaring getekend. Op 23 november 1940 werden alle Joodse rechters geschorst.

Toetsingsarrest – 12 januari 19418

Een andere relevante zaak in deze context is het toetsingsarrest van 12 januari 1941. Een vishandelaar uit Voorburg had varkensvlees aangeschaft zonder de destijds benodigde voedselbonnen. De verdachte werd veroordeeld door de economische politierechter. Advocaat van de verdachte voerde aan dat het instellen van het economisch strafrecht door de bezetter in strijd was met het Landoorlogreglement. Immers, het instellen van een economische politierechter was niet noodzakelijk ter handhaving van de openbare orde. De advocaat concludeert aldus dat de economische politierechter onbevoegd was.

De Hoge Raad ging niet mee met het door de advocaat bepleitte standpunt. Hij stelde dat de Nederlandse rechter een verordening van de bezetter niet mocht toetsen aan het Landoorlogreglement, noch de innerlijke waarde of billijkheid daarvan beoordelen. Dit werd als volgt verwoord:

“[…] dat mitsdien de uitvaardiging van het Besluit van den Secretaris-generaal van het Departement van Justitie met betrekking tot de berechting van strafzaken, rakende het economische leven, afgekondigd in het Verordeningenblad voor het bezette Nederlandsche gebied (No. 71/1941), als een door de bezettende macht genomen maatregel van wetgevenden aard is te beschouwen en aan een zoodanig kracht van wet hebbend voorschrift onder de huidige omstandigheden het karakter van wet in den zin der Nederlandsche wetgeving niet kan worden ontzegd;

[…]

dat echter de Nederlandsche rechter de innerlijke waarde of billijkheid eener wet niet mag beoordeelen en een wet niet mag toetsen aan een verdrag, zooals dat waarvan het Landoorlogreglement 1907 deel uitmaakt, en evenmin aan een voorschrift als het hiervoren genoemde Decreet van den Führer;”

Deze gelijkstelling van Duitse verordeningen aan de Nederlandse had als gevolg dat Duitse maatregelen per definitie legaal waren. De Hoge Raad gaf middels dit arrest indirect goedkeuring aan alle Duitse maatregelen.

De hoop dat de Hoge Raad in deze in verzet zou treden werd hiermee tenietgedaan. De Hoge Raad gaf als laatste van de drie machten (de politie was immers van de bezetter en regering en parlement waren reeds naar Engeland gevlucht) zijn onafhankelijkheid uit handen. De leden van de Hoge Raad verdedigden zich tijdens en na de oorlog door te stellen dat zij zouden worden ontslagen indien zij tegen de Duitsers waren ingegaan. Niet geheel ongegrond, nu in België en Noorwegen dit reeds was gebeurd. De Hoge Raad bevond zich in een spagaat: ofwel een onwelgevallig arrest wijzen met kans op ontslag en daarmee de mogelijkheid in een later stadium tegen te werken te laten varen, ofwel een welgevallig arrest wijzen en blijven zitten.

‘De Hoge Raad bevond zich in een spagaat: ofwel een onwelgevallig arrest wijzen met kans op ontslag en daarmee de mogelijkheid in een later stadium tegen te werken te laten varen, ofwel een welgevallig arrest wijzen en blijven zitten.’

Tegengeluid

Op 25 februari 1943 wees het gerechtshof Leeuwarden de bezetters een arrest dat hen niet in de kaart speelde.9  Raadsheer Viehoff was aanwezig geweest bij een vergadering over de misstanden in het kamp Erika te Ommen. De vergadering, bestaande uit presidenten en vice-presidenten van rechtbanken en officieren van justitie, besloot te protesteren bij Generalkommissar Wimmer. Viehoff had geen vertrouwen in een dusdanig protest en greep de eerste zitting na de bijeenkomst aan voor een duidelijke afwijzing van de praktijken in Ommen.10 In niet mis te verstane woorden wezen Viehoff en de zijnen het arrest:

“(…) dat het Gerechtshof rekening wenscht te houden met de omstandigheid dat sedert eenigen tijd verschillende door den Nederlandschen Rechter aan mannelijke delinquenten opgelegde gevangenisstraffen, in strijd met de wettelijke voorschriften en met de bedoeling van Wetgever en Rechter, zijn of worden ten uitvoer gelegd in gevangeniskampen op zoo strafverzwarende wijze als door den Rechter bij de bepaling van de strafmaat onmogelijk kon worden voorzien of zelfs maar als mogelijk verondersteld;

dat het Gerechtshof de mogelijkheid van deze wijze van executie der thans op te leggen straf in aanmerking nemend, er zich om des gewetens wille van zal onthouden den verdachte te veroordeelen tot een gevangenisstraf van zoodanigen duur als in casu in evenredigheid zoude staan tot den ernst van het door den verdachte gepleegde misdrijf doch hem zoude blootstellen aan de mogelijkheid van een executie als bovengemeld; (…).”11

De consequenties heeft Viehoff geweten: nog geen drie maanden later was hij ontslagen. Desalniettemin lag de waarde van dit arrest in het plegen van een daad van verzet.

Conclusie

Een kleine greep uit rechtspraak ten tijde van de tweede wereldoorlog is de revue gepasseerd. De twijfel uit de rechtspraak blijkt: een uitspraak of arrest stond gelijk aan het dan wel niet behouden van de rechters functie. Het arrest van het hof Leeuwarden is opmerkelijk. Weinig rechters hebben hun nek durven uitsteken tijdens de bezetting.12 Mijns inziens niet geheel onbegrijpelijk. De directe invloed op de directe rechtspraak van de bezetters leek beperkt. De indirecte invloed daarentegen was groots aanwezig, wat blijkt uit het Toetsingsarrest. Rechters en raadsheren wisten dat het wijzen van een onwelgevallige uitspraak zou leiden tot ontslag en vervanging door een Duitsland gezinde rechter. Deze spagaat zorgt er mijns inziens voor dat er geen sprake is geweest van volledige onafhankelijkheid van de rechterlijke macht tijdens de Tweede Wereldoorlog. De vraag is echter hoe redelijk het is dit te eisen, in een tijd van oorlog.

Dennis Kok (21) is derdejaars rechtenstudent met passie voor het privaatrecht. Naast zijn studie is hij lid bij Pleitgenootschap Eggens en bij Navigators Studentenvereniging Utrecht.


Reageren? Mail naar: Dennis.kok@live.nl

Video
Share

Your name

Your e-mail

Name receiver

E-mail address receiver

Your message

Send

Share

E-mail

Facebook

Twitter

Google+

LinkedIn

Contact

Send

Sign up

Sign up