Nashville-verklaring

De civielrechtelijke ruimte voor een nieuwe verklaring met aloude opvattingen.

Tekst door: Jacob van der Tang

LEES VERDER

‘Wij leven niet langer in een democratie. We leven in een ‘emocratie’, waar emoties zwaarder wegen dan meerderheden en gevoelens belangrijker zijn dan de rede. Hoe sterker je gevoelens—hoe beter je in staat bent in vurige woede te ontsteken—des te meer invloed heb je. En gebruik nooit woorden als je het ook met emoji’s af kunt.’ Aldus Niall Ferguson in Het Financieele Dagblad van maandag 28 januari jl.1

Begin januari publiceerden dr. P. de Vries, evangelist Arjan Baan en enkele andere theologen/ambtsdragers een Nederlandse vertaling van de zogenaamde Nashville-verklaring (hierna ook: de verklaring). Naar aanleiding van deze publicatie ontstond veel ophef en liepen de emoties hoog op. Zo stelde minister Ingrid van Engelshoven dat de verklaring gezien moet worden als ‘stappen terug in de tijd’. Stefan Paas, Theoloog des Vaderlands beschouwde de verklaring als ‘Publieke stoerdoenerij ten koste van kwetsbare mensen’. Het Openbaar Ministerie kondigde aan een onderzoek te gaan instellen naar de strafbaarheid van de publicatie van de verklaring. Kamerleden stelden schriftelijke vragen aan het kabinet waaronder de vraag hoe het Kabinet denkt over een bepaalde Bijbeltekst.2

Tegelijkertijd moet geconstateerd worden dat de Nashville-verklaring fundamentele noties over huwelijk en homoseksualiteit bevat die altijd al door veel christenenen zijn voorgestaan, ook in Nederland. Het hoog oplopen van de emoties lijkt al met al een voorbeeld te zijn van wat ‘emocratie’ is volgens Ferguson.3

De vraag dringt zich op hoeveel ruimte biedt het Nederlandse recht (nog) biedt aan publicaties zoals de Nederlandse vertaling van de Nashville-verklaring. Dit artikel heeft als doel om deze vraag beantwoorden door met name vanuit civielrechtelijk perspectief te kijken naar de toelaatbaarheid van de publicatie van de verklaring zoals die begin dit jaar heeft plaatsgevonden.

1 Inhoud

De Nashville-verklaring is afkomstig uit Amerika. Amerikaanse evangelicals wilden met deze verklaring stelling nemen tegen de verwatering van de klassiek Bijbelse opvatting, inhoudende dat het huwelijk een van God gegeven instelling is tussen één man en één vrouw.4 Dat blijkt bijvoorbeeld uit het voorwoord van de verklaring waarin aangegeven wordt dat Bijbelgetrouwe christenen in een overgangssituatie leven nu de westerse cultuur bezig is om op ingrijpende wijze een nieuwe invulling te geven aan wat het betekent mens te zijn.

Na het voorwoord vervolgt de verklaring met 14 artikelen waarin uiteengezet wordt wat naar de mening van de opstellers van de verklaring de Bijbelse visie op huwelijk en seksualiteit is. Deze visie houdt onder meer in dat het huwelijk gezien moet worden als een levenslange verbondsrelatie tussen één man en één vrouw (artikel 1), vrouwen en mannen voor God als personen gelijkwaardig zijn maar als man en vrouw verschillend (artikel 3), dat het niet in overeenstemming is met de Bijbel wanneer mensen zich bewust willen zien en positioneren met een homoseksuele of transgenderidentiteit (artikel 7), dat de zonde kan zorgen voor misvorming van seksuele verlangens van zowel hetero- als homoseksuele mensen (artikel 9) en dat de genade van God in Christus kracht kan geven om zondige verlangens te doden (artikel 12).

Aan de Nederlandse vertaling van de verklaring is – anders dan het Engelse origineel – door de werkgroep die de vertaling en publicatie van de verklaring in het Nederlands verzorgde, een pastoraal naschrift toegevoegd waarin schuld wordt beleden.5 Dit onder meer omdat volgens de genoemde werkgroep kerkelijk leidinggevenden soms helaas medeverantwoordelijk zijn geweest voor ‘de praktijk of het toedekken van (seksueel) misbruik’. Pastorale zorg naar mensen met een homoseksuele gerichtheid is vaak onder de maat geweest, aldus het naschrift.

‘Aan de Nederlandse vertaling van de verklaring is – anders dan het Engelse origineel – door de werkgroep die de vertaling en publicatie van de verklaring in het Nederlands verzorgde, een pastoraal naschrift toegevoegd waarin schuld wordt beleden.’

Oldenhuis is echter van mening dat de zaken er anders voorstaan bij een gang naar de burgerlijke rechter.

‘Niet alleen het nawoord maar ook de verklaring zelf roept de vraag op of de opstellers wel echt elk te respecteren belang van lhbt-ers volledig uit het oog zouden hebben verloren.’

2 Onbehagen

In Nederland ontstond bij sommige protestantse christenen een gevoel van onbehagen. Dit omdat bijvoorbeeld het praktiseren van een homoseksuele geaardheid steeds meer geaccepteerd wordt binnen de Protestantse Kerk in Nederland (PKN) en enkele andere kerkgenootschappen. In 2018 werd volgens Oldenhuis door dergelijke protestantse christenen in Nijkerk een congres gehouden waar het thema homoseksualiteit centraal stond. Speerpunt van dit congres zou de gezamenlijke ondertekening van een vertaling van de Nashville-verklaring zijn.6

Kort daarvoor had de Generale Synode van de PKN (de ‘vergadering’ van alle plaatselijke gemeenten van het betreffende kerkgenootschap)7 de gelijke behandeling van homo’s en hetero’s binnen de kerkelijke gemeenschap benadrukt alhoewel die gelijkstelling nog niet was doorgetrokken ten aanzien van het sluiten van kerkelijke huwelijken. Ruim 250 predikanten van de PKN die van mening waren dat geaardheid geen enkele rol mag spelen binnen de kerk vonden de besluiten van de Generale Synode niet ver genoeg gaan en lieten dit weten door middel van een paginagrote advertentie.8 Anderen vonden daarentegen de besluiten van de PKN te ver gaan. Twee van hen, dr. P. de Vries en evangelist Arjan Baan benaderden per e-mail voorgangers waarvan zij vermoedden dat zij dezelfde zorgen deelden en verzochten deze voorgangers om steun te betuigen aan de verklaring.9 In korte tijd hadden De Vries en Baan steun van meer dan 200 ondertekenaars.10

3 Kritiek

Het Reformatorisch Dagblad maakte op 27 december 2018 beknopt melding van de actie van De Vries en Baan.11 Een dag later lieten Arnold Huijgen en Maarten Kater, hoogleraren in de theologie, door middel van een opiniebijdrage weten de verklaring om een aantal redenen niet te zullen tekenen.12 De verklaring zou namelijk de nodige pastorale gevoeligheid ontberen. Baan, De Vries en anderen reageren gezamenlijk op 2 januari op het stuk van Huijgen en Kater. Zij gaven aan dat de vertaling en publicatie van de Nederlandse verklaring informeel was begonnen en daarom provisorisch van aard was. Er zou inmiddels een nieuwe versie van de vertaling zijn waarin veel opmerkingen zijn verwerkt. Baan et al geven tegelijk aan dat zij zichzelf niet ‘de vrijheid veroorloofd hebben om de verklaring volgens eigen inzichten om te bouwen’ omdat men de aansluiting bij de ‘wereldkerk’ niet wil verliezen. Ze willen wel op detailniveau onderzoeken waar formuleringen zuiverder, pastoraler of scherper zouden kunnen.13 Op 4 januari berichtte het Reformatorisch Dagblad dat de verklaring van een pastoraal nawoord is voorzien en werd de verklaring gepubliceerd, onder meer in het Reformatorisch Dagblad.14

4 Vervolging

Op dit moment doet het Openbaar Ministerie onderzoek naar de eventuele strafbaarheid van de publicatie van de Nashville-verklaring. Oldenhuis en Van den Brink zijn van mening dat de opstellers strafrechtelijk gezien niet vervolgd kunnen worden.15 Er is bijvoorbeeld geen sprake van opzettelijke belediging. De opstellers probeerden vanuit religieuze context een maatschappelijk debat te dienen en dat zou essentieel zijn voor een strafrechtelijke toets.16 Deze visie van Oldenhuis en Van den Brink lijkt mij overtuigend.

Oldenhuis is echter van mening dat de zaken er anders voorstaan bij een gang naar de burgerlijke rechter.17 Volgens hem gaat het in een civiele procedure ‘om het zoeken van een balans tussen het gediende belang en het geschade belang’. De tekst van de verklaring zou niet anders gelezen kunnen worden dan dat in de ogen van God homoseksuele gevoelens niet zouden mogen bestaan. De kritiek daarop van Huijgen en Kater zouden de opstellers ten onrechte geheel negeren. Ook de terloopse suggestie die de verklaring zou doen dat er in geval van homoseksualiteit sprake is van ‘het aannemen van een identiteit’ zou in een openbaar vlugschrift ongepast en in pastoraal opzicht bizar te noemen zijn. Volgens Oldenhuis zouden de opstellers zelfs ‘volledig beheerst’ worden ‘door een onheilige drift tot publicatie’ waarbij zij ‘elk te respecteren belang van de als lhbt-geschapen medemens volledig uit het oog’ zouden hebben verloren. Bovendien zou de vorm waarin de opstellers de inhoud van hun boodschap verpakten onnodig grievend zijn, te meer omdat de ondertekenaars er bewust voor hadden gekozen om de verklaring te publiceren op internet. Tenslotte zou het verweer van de opstellers c.q. ondertekenaars dat hun intentie een andere is dan uit de tekst van de verklaring moet worden afgeleid niet volstaan nu onduidelijke uitleg rechtens voor rekening komt van de zender en niet voor de rekening van de ontvanger.

5 Kanttekeningen

Al met al lijkt Oldenhuis vijf aanwijzingen te geven waarom een gang naar de burgerlijke rechter een ander resultaat zal hebben dan een eventuele strafrechtelijke vervolging. Bij deze aanwijzingen kunnen de nodige kanttekeningen worden geplaatst.

Als gezegd zou de verklaring volgens Oldenhuis niet anders gelezen kunnen worden dan dat in de ogen van God homoseksuele gevoelens niet zouden mogen bestaan. Kritiek daarop van twee hoogleraren theologie zou door de mensen achter ‘Nashville’ ten onrechte genegeerd worden. Het is de vraag of Oldenhuis daarmee voldoende recht doet aan de verklaring nu die er bijvoorbeeld op wijst dat seksuele aantrekkingskracht voor hetzelfde geslacht iemand niet buiten de hoop van het Evangelie plaatst. Zie daarover hierna meer.

De terloopse suggestie dat er in geval van homoseksualiteit sprake is van het ‘aannemen van een identiteit’ zou in een openbaar vlugschrift ongepast en in pastoraal opzicht bizar zijn. Oldenhuis onderbouwt dit verder niet. Dat wil nog niet zeggen dat Oldenhuis geen gelijk heeft, al kan ik me dat wel goed voorstellen. Tegelijkertijd maakt dat de aanwijzing wel minder overtuigend.

De opstellers zouden in de derde plaats ‘elk te respecteren belang van de als lhbt-geschapen medemens volledig uit het oog’ hebben verloren. In het voorgaande is er al op gewezen dat aan de Nederlandse vertaling van de verklaring een pastoraal naschrift is toegevoegd. Daarin wordt schuld beleden, onder andere omdat principiële stellingnames in het verleden niet zelden hebben geresulteerd in machtsmisbruik tegenover degenen die een homoseksuele gerichtheid kennen. De pastorale zorg naar deze gemeenteleden zou bovendien vaak onder de maat zijn geweest. Ook wordt in dit nawoord aangegeven dat mensen die bij zichzelf een homoseksuele gerichtheid herkennen of worstelen met hun geslachtelijkheid mogen weten in de christelijke gemeente een volwaardige plaats te hebben.

Niet alleen het nawoord maar ook de verklaring zelf roept de vraag op of de opstellers wel echt elk te respecteren belang van lhbt-ers volledig uit het oog zouden hebben verloren. Zo geeft Van den Brink terecht aan dat de verklaring christen aanspoort om te strijden tegen eigen neigingen en dus niet probeert om mensen weg te zetten.20  Dat blijkt bijvoorbeeld uit artikel 13 van de verklaring waarin aangegeven wordt dat zondaren door de genade van God in Christus in staat worden gesteld om te strijden tegen een transgender-zelfverstaan. Zie ook artikel 8 van de verklaring waarin wordt gezegd ‘dat mensen die seksuele aantrekkingskracht ervaren tot mensen van hetzelfde geslacht een rijk en vruchtbaar leven kunnen leiden dat door het geloof in Jezus Christus aangenaam is voor God, wanneer zij een rein leven leiden – zoals dat voor alle christenen geldt’.

De vorm waarin de boodschap zou zijn verpakt, zou in de vierde plaats onnodig grievend zijn, temeer vanwege de bewuste keuze om de verklaring op het internet te publiceren. In dit verband verwijst Oldenhuis naar twee rechtszaken.19 Om het artikel niet al te uitgebreid te laten worden, bespreek ik alleen de rechtszaak van het echtpaar Goeree omdat deze zaak het meest lijkt op wat er rondom de Nashville-verklaring is gebeurd. Het echtpaar Goeree legde in een huis-aan-huis verspreide uitgave een verband tussen een Bijbeltekst en de Jodenvervolging in de Tweede Wereldoorlog. De suggestie van het echtpaar was dat de Joden de vervolging over zichzelf hadden afgeroepen.21 Het hof was van mening dat het echtpaar hun boodschap op een voor anderen nodeloos kwetsende of grievende wijze hadden verkondigd en dus onrechtmatig hadden gehandeld.22

Los van de vraag of de argumentatie van het Hof in de zaak rondom het echtpaar Goeree al dan niet overtuigt, kan afgevraagd worden in hoeverre de situatie rondom de Nashvilleverklaring lijkt op die van het echtpaar Goeree en dus daarom onrechtmatig is. In de eerste plaats zijn er, zoals Van den Brink terecht aangeeft, veel publieke pleidooien voor het omarmen van homoseksualiteit en transgenderisme. Daarbij moet naar mijn mening bedacht worden dat dergelijke pleidooien ook binnen de kerken gehoord worden en de mensen achter de verklaring ook in hun eigen kringen geconfronteerd werden met ‘andersdenkenden’. Mensen die er anders over denken, kunnen dan ook, zo vervolgt Van den Brink, moeilijk verweten worden dat ook zij publiekelijk van zich laten horen, temeer nu dit gebeurt vanuit een oprechte betrokkenheid en niet om mensen te kwetsen.23 Bovendien is er een verschil tussen een huis-aan-huis verspreide uitgave en het plaatsen van een verklaring op internet. In het laatstgenoemde geval is de boodschap misschien wel gemakkelijker te vermijden en zal er minder snel sprake zijn van een boodschap die onnodig kwetsend is. In de derde plaats stond de verklaring strikt genomen al langere tijd op internet, zij het in het Engels. Waarom wordt er een probleem gemaakt als een al bestaande verklaring wordt vertaald?

Het verweer van de opstellers c.q. ondertekenaars dat hun intentie een andere is dan uit de tekst van de verklaring moet worden afgeleid, zou tenslotte volgens Oldenhuis niet volstaan. Onduidelijke uitleg zou rechtens voor rekening komen van de zender en niet voor de rekening van de ontvanger. Hiervoor bleek al dat de verklaring kennelijk niet het doel heeft om mensen weg te zetten en mede door het pastorale nawoord evenwichtiger lijkt te zijn dan door veel mensen betoogd is. Dat doet de vraag rijzen of de verklaring echt wel zo onduidelijk is en er echt wel een verschil is tussen enerzijds wat de opstellers en ondertekenaars zeggen over hun intentie en anderzijds wat uit de verklaring volgens Oldenhuis moet worden afgeleid.

6 Conclusie

Hiervoor is ingegaan op de Nashville-verklaring. Met name is gekeken naar de vraag of een civielrechtelijke procedure kans van slagen heeft. Oldenhuis noemt een aantal aanwijzingen waarom een civielrechtelijke procedure anders zal verlopen dan een strafrechtelijke procedure die geen succes zal hebben. In dit artikel zijn een aantal kritische kanttekeningen geplaatst bij de door Oldenhuis genoemde aanwijzingen. Naar mijn mening heeft een civielrechtelijke procedure dan ook een geringe kans van slagen.

Tenslotte is het vanuit rechtstatelijk perspectief in het algemeen, zeker in een tijd van secularisering, wenselijk om voorzichtig te zijn met het inperken van godsdienstvrijheid. Dit omdat ik me kan voorstellen dat het stellen van dergelijke beperkingen al snel veroorzaakt kunnen worden doordat de meerderheid van de bevolking een godsdienstopvatting niet meer deelt en daarom evenmin begrijpt en/of kent. Het zou vreemd zijn als zoiets als een Nashvilleverklaring om die redenen niet meer gepubliceerd zou mogen worden.

Jacob van der Tang (23 jaar) studeert op dit moment Rechten en Theologie aan respectievelijk de UU en de VU. Hij heeft een bijzondere interesse voor massaschadeclaims en het spanningsveld tussen recht en religie.

 

Reageren? Stuur een mail naar:

juncto@jsvu.nl

Voetnoten

1 Niall Ferguson, ‘Als het waar ‘voelt’, dan is het ook waar in onze ‘emocratie’, Het Financieele Dagblad, 28 januari 2019, 13.

2 Reformatorisch Dagblad, ‘Veel kritiek op Nashvilleverklaring’ (7 januari 2019) https://www.rd.nl/kerk-religie/veel-kritiek-op-nashvilleverklaring-1.1538844 (geraadpleegd op 4 januari 2019).

3 Niall Ferguson, ‘Als het waar ‘voelt’, dan is het ook waar in onze ‘emocratie’, Het Financieele Dagblad, 28 januari 2019, p. 13.

4 Fokko Oldenhuis, ‘Nashville-verklaring; Over de grenzen van de vrijheid van godsdienst’, NJB 2019, aflevering 6, p. p. 397.

5 Zie: Nashville-verklaring, https://nashvilleverklaring.nl/nashvilleverklaring-nl/ (geraadpleegd op 6 april 2019).

6 Fokko Oldenhuis, ‘Nashville-verklaring; Over de grenzen van de vrijheid van godsdienst’, NJB 2019, aflevering 6, p. p. 397.

7

8 Fokko Oldenhuis, ‘Nashville-verklaring; Over de grenzen van de vrijheid van godsdienst’, NJB 2019, aflevering 6, p. 397.

9 Ibidem, p. 397.

10 Ibidem, p. 397-398.

11 Ibidem, p. 398.

12 Reformatorisch Dagblad, ‘Oproep om verklaring over relaties en de Bijbel te tekenen’ (27 december 2018) https://www.rd.nl/kerk-religie/oproep-om-verklaring-over-relaties-en-de-bijbel-te-tekenen-1.1537083 (geraadpleegd op 2 februari 2019).

13 Arnold Huijgen en Maarten Kater, ‘Na bezinning door kerken pas visie op genderideologie (28 december 2018), https://www.rd.nl/opinie/na-bezinning-door-kerken-pas-visie-op-genderideologie-1.1537254 (geraadpleegd op 2 februari 2019).

14 A.C. Baan, J.M.J. Kieviet e.a., ‘Eenheid én duidelijkheid nodig rond de scheppingsorde’ (2 januari 2019), https://www.rd.nl/opinie/eenheid-%C3%A9n-duidelijkheid-nodig-rond-scheppingsorde-1.1538009 (geraadpleegd op 2 februari 2019).             

15 Reformatorisch Dagblad, ‘Nashville-verklaring krijgt een pastoraal nawoord’ (4 januari 2019) https://www.rd.nl/kerk-religie/nashvilleverklaring-krijgt-pastoraal-nawoord-1.1538623 (geraadpleegd op 4 januari 2019) en en A.C. Baan, J.M.J. Kieviet e.a., ‘Gezamenlijke verklaring over Bijbelse seksualiteit’ (4 januari 2019) https://www.rd.nl/kerk-religie/nashvilleverklaring-krijgt-pastoraal-nawoord-1.1538623 (geraadpleegd op 4 januari 2019).

16 Fokko Oldenhuis, ‘Nashville-verklaring; Over de grenzen van de vrijheid van godsdienst’, NJB 2019, aflevering 6, p. 398 en J. van den Brink, ‘Strafbaarheid is niet aan de orde bij de Nashvilleverklaring’, Trouw 15 januari 2019 (https://www.trouw.nl/opinie/strafbaarheid-is-niet-aan-de-orde-bij-de-nashville-verklaring~a4cbf37e/, geraadpleegd op 6 april 2019).

17 Fokko Oldenhuis, ‘Nashville-verklaring; Over de grenzen van de vrijheid van godsdienst’, NJB 2019, aflevering 6, p. 398.

18 Fabian Keijzer en Fokko Oldenhuis, ‘Positie van kerkgenootschappen en vrijheid van belijden’, in: L.C. van Drimmelen en T.J. van der Ploeg (red.) Geloofsgemeenschapen en recht, Den Haag: Boom Juridische Uitgevers 2014, p. 432.

19 ECLI:NL:HR:1987:AB9113, HR 5 juni 1978 (Goeree/CIDI e.a.) en ECLI:NL:RBARN:1989:AH2585, Rb. Arnhem (pres.) 24 februari 1989.

20 J. van den Brink, ‘Strafbaarheid is niet aan de orde bij de Nashvilleverklaring’, Trouw 15 januari 2019 (https://www.trouw.nl/opinie/strafbaarheid-is-niet-aan-de-orde-bij-de-nashville-verklaring~a4cbf37e/, geraadpleegd op 6 april 2019).

21 Fabian Keijzer en Fokko Oldenhuis, ‘Positie van kerkgenootschappen en vrijheid van belijden’, in: L.C. van Drimmelen en T.J. van der Ploeg (red.) Geloofsgemeenschapen en recht, Den Haag: Boom Juridische Uitgevers 2014, p. 432.

22 Zie: ECLI:NL:HR:1987:AB9113, HR 5 juni 1978 (Goeree/CIDI e.a.) r.o. 3.

23 J. van den Brink, ‘Strafbaarheid is niet aan de orde bij de Nashvilleverklaring’, Trouw 15 januari 2019 (https://www.trouw.nl/opinie/strafbaarheid-is-niet-aan-de-orde-bij-de-nashville-verklaring~a4cbf37e/, geraadpleegd op 6 april 2019).

Video
Share

Your name

Your e-mail

Name receiver

E-mail address receiver

Your message

Send

Share

E-mail

Facebook

Twitter

Google+

LinkedIn

Contact

Send

Sign up

Sign up