De positie van het dier in het Nederlandse recht

 
 
Tekst door: Felicity Garretsen

LEES VERDER

Dagelijks lijden talloze dieren door het toedoen van mensen die worden verondersteld voor hen te zorgen. De strafrechter zag vorig jaar 393 keer een zaak met een dier als slachtoffer, waarbij de daders werden veroordeeld voor mishandeling, verwaarlozing en andere strafbare feiten met dieren.1 Vaak komt het niet tot een rechtszaak. Dieren zijn namelijk afhankelijk van medelevende mensen die zich voor hen uitspreken. Fysiek geweld en emotionele mishandeling zijn echter de dagelijks realiteit voor veel dieren. In dit artikel wordt ingegaan op de achtergestelde positie van dieren in het Nederlandse recht.

Juridisch kader

De wet- en regelgeving omtrent het houden van en omgaan met dieren is de laatste jaren substantieel toegenomen, zowel op nationaal als op internationaal niveau, en strekt zich uit over uiteenlopende rechtsgebieden en onderwerpen. Met het streven naar integratie, vermindering en vereenvoudiging is door samenvoeging van verschillende wetten die betrekking hebben op dieren op 1 januari 2013 de huidige ‘Wet dieren’ van kracht gegaan.2 De Wet dieren beoogt een integraal wettelijk kader te geven voor de regels met betrekking tot het gedrag van mensen jegens dieren en voor de regels ter beheersing van de risico’s die dieren of van die dieren afkomstige producten met zich mee kunnen brengen voor de mens.3 Op grond van artikel 2.1 van deze wet is het verboden om zonder redelijk doel of met overschrijding van hetgeen ter bereiking van zodanig doel toelaatbaar is, bij een dier pijn of letsel te veroorzaken dan wel de gezondheid of het welzijn van het dier te benadelen. Onlangs kondigde minister Grapperhaus van Justitie en Veiligheid een wetsvoorstel aan om daders van dierenmishandeling strenger te straffen.4 Met dit wetsvoorstel wordt het mogelijk om daders van dierenmishandeling een houdverbod van maximaal tien jaar op te leggen, om te voorkomen dat ze opnieuw de fout ingaan. Een houdverbod is nu al mogelijk, maar alleen onder bijzondere voorwaarden en leidt in de praktijk vaak tot praktische problemen waardoor een dierenmishandelaar gemakkelijk opnieuw dieren kan gaan houden.5 Het nieuwe wetsvoorstel moet dit tegengaan, zodat dierenleed nog meer kan worden voorkomen.

Wat opvalt bij deze wet- en regelgeving is dat vooral de mens centraal staat. Steeds gaat het over het gedrag van mensen jegens dieren en de risico’s die dieren met zich mee kunnen brengen voor de mens. Dit blijkt bijvoorbeeld ook uit het feit dat het verbod op dierenmishandeling oorspronkelijk werd ingevoerd ter bescherming van menselijke belangen en niet de belangen van mishandelde dieren. Volgens de wetgever dienden de regelingen ter bescherming van zedelijke gevoelens van mensen die getuige waren van dierenmishandeling en daaraan aanstoot namen of daardoor in hun zedelijkheid gecorrumpeerd zouden worden.6 Destijds werd er bovendien gevreesd om rechten toe te kennen aan dieren, omdat dan zou worden toegegeven aan een ‘ziekelijk gevoel’ en dit zou ‘ongerijmde gevolgen’ hebben.7

‘Het nieuwe wetsvoorstel moet dit tegengaan, zodat dierenleed nog meer kan worden voorkomen.’

‘De mens zou dan ook niet langer als ijkpunt moeten worden beschouwd aan de hand waarvan andere soorten worden beoordeeld.’

Verhouding mens-dier

De wijze waarop tegen de mens-dier verhouding wordt aangekeken, wordt sterk beïnvloed door de ingebedde dualistische visie op de mens-natuur relatie waarbij de mens centraal staat. De mens als subject, als toeschouwer en als heerser, staat tegenover een geobjectiveerde natuur, die er is ten dienste van de mens. Deze houding tegenover de natuur uit zich op verschillende gebieden, zo ook in de wetenschap.8 De wetenschap is bijvoorbeeld doordrongen van antropocentrische denkbeelden. Deze diepgewortelde onderscheidende houding van de mens ten opzichte van de natuur kan worden gezien als een van de belangrijkste verklaringen voor de achtergestelde positie van de natuur en het antropocentrisme in de wetenschapsdisciplines.9 De verhouding tussen mens en natuur vormt echter in toenemende mate een onderwerp van discussie waarbij wereldwijd wordt stilgestaan. Het idee dat dieren ondergeschikt zijn aan mensen en dat mensen een betere soort zijn blijkt in de moderne wetenschap steeds vaker als achterhaald te worden beschouwd.10 Door onder meer de milieucrisis twijfelen velen aan de houdbaarheid van dit denkbeeld en is duidelijk geworden dat er grenzen bestaan aan wat de mens met de natuur kan doen.11 De mens zou dan ook niet langer als ijkpunt moeten worden beschouwd aan de hand waarvan andere soorten worden beoordeeld.12 Dit heeft geleid tot een meer ecocentrische benadering waarbij de mens als onderdeel van ecosystemen wordt beschouwd en de intrinsieke waarde van de andere elementen van ecosystemen wordt erkend. Hierbij vindt beoordeling niet plaats aan de hand van mogelijke effecten op de mens zelf, maar vormt het ecosysteem als geheel, zoals natuurlijk evenwicht, instandhouding van het milieu en diversiteit van levensvormen, een belangrijk criterium voor de heersende normen.13

Dierenrechten

Nu de relatie tussen mens en natuur in toenemende mate ter discussie wordt gesteld, kan de vraag worden gesteld hoe de verhouding mens-dier haar weerslag zou moeten vinden in de structuren van de moderne democratische rechtsstaat.14 Tot 1 januari 2013 werden dieren in het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW) als zaken gekwalificeerd. Met de inwerkingtreding van artikel 3:2a BW kwam daar een einde aan en kreeg het dier een ‘eigen positie’ in de wet, waar weliswaar de bepalingen van zaken analoog op toepasbaar zijn. Uit de parlementaire geschiedenis volgt dat de ratio achter de ontzakelijking erop ziet dat met dieren, anders dan doorsnee stoffelijke voorwerpen, met respect dat past bij levende wezens moet worden omgegaan.15 De redenering van de wetgever lijkt als volgt. Ten eerste geldt dat door het niet meer kwalificeren van dieren als zaken de toepassing van het eigendomsrecht wordt beperkt. Ingevolge artikel 5:1 BW is eigendom het meest omvattende recht dat men op een zaak kan hebben. Op dit punt wijken dieren af van andere zaken, omdat de rechten die uit het eigendomsrecht voortvloeien niet zonder meer gelden ten aanzien van dieren.16 Uit artikel 3:2a lid 2 BW volgt dan ook dat de bepalingen met betrekking tot zaken op dieren van toepassing zijn, met in achtneming van de op wettelijke voorschriften en regels van ongeschreven recht gegronde beperkingen, verplichtingen en rechtsbeginselen, alsmede de openbare orde en de goede zeden. Ten tweede heeft de wetgever tot uitdrukking willen brengen dat de mens morele verplichtingen heeft om over het welzijn van dieren te hoeden.17

Artikel 3:2a BW vormt een belangrijke ontwikkeling in onze perceptie van de positie van het dier in het recht. Desondanks is dit artikel in de literatuur kritisch ontvangen en wordt er gewezen op het hoge symbolische gehalte en de mogelijk beperkte gevolgen hiervan.18 Na bijna zes jaar na de inwerkingtreding van artikel 3:2a BW is het aantal (gepubliceerde) uitspraken hieromtrent nogal aan de lage kant. Verder dan dat civielrechtelijk wordt erkend dat dieren ‘geen zaken’ zijn, is Nederland niet gegaan, terwijl uit de praktijk naar voren komt dat veel advocaten menen dat de huidige wet- en regelgeving voor dieren niet altijd geschikt is.19 Wanneer het Nederlandse recht wordt vergeleken met andere landen, blijkt dat de ontwikkelingen in het kader van dierenrechten zich in het buitenland al in een verder stadium bevinden. Uiteenlopende constituties van Europese landen kennen inmiddels een bepaling waarin de zorg voor dieren als een verantwoordelijkheid van de staat is verklaard.20 België beraadt zich bijvoorbeeld over een wetsvoorstel om de zorg voor dieren als wezens met gevoel op te nemen in de Grondwet als algemene beleidsdoelstelling, zodat het welzijn van dieren een bindende overheidsaangelegenheid wordt en recht wordt gedaan aan het feit dat dieren wezens zijn met gevoel.21 Met dit wetsvoorstel zou België zich aansluiten bij een reeks landen, waaronder Duitsland, Luxemburg, Oostenrijk en Zwitserland, die reeds een soortgelijke grondwettelijke regeling kennen.22

Conclusie

De Nederlandse overheid draagt nog onvoldoende zorg voor wat betreft de positie van dieren in het recht. Fysiek geweld en emotionele mishandeling zijn nog steeds de dagelijks realiteit voor veel dieren, omdat in veel gevallen niet (tijdig) wordt ingegrepen en de wet onvoldoende bescherming biedt aan dieren. Dierenwelzijn dient niet alleen erkend te worden door vast te stellen dat een dier geen zaak is, maar vergt meer dan dat. Dieren zouden daarom meer aandacht moeten krijgen in de Nederlandse wet, dusdanig dat recht wordt gedaan aan de veranderende opvattingen omtrent de mens-dier verhouding waarbij de gedachte dat mensen superieur zijn aan andere soorten steeds meer als achterhaald wordt beschouwd.

Felicity Garretsen (24) is onlangs afgestudeerd van de master Privaatrecht aan de Universiteit Utrecht. Momenteel is zij bezig met de afronding van haar tweede master Notarieel recht en volgt zij dit collegejaar uit eigen interesse verschillende niet-juridische vakken. Naast haar studie is zij werkzaam als buitengriffier bij de rechtbank Rotterdam.

 

Reageren? Stuur een mail naar:

f.h.c.y.garretsen@students.uu.nl

Voetnoten

1 <https://www.rechtspraak.nl/Organisatie-en-contact/Organisatie/Raad-voor-de-rechtspraak/Nieuws/Paginas/Ook-de-strafrechter-wordt-geconfronteerd-met-dierenleed> geraadpleegd op 4 oktober 2018.

2 Wet van 19 mei 2011, houdende een integraal kader voor regels over gehouden dieren en daaraan gerelateerde onderwerpen (Wet dieren); I.E. Boissevain & A.A. Freriks, ‘De nieuwe Wet dieren: wie wordt er beter van?’, JV 2009/7, p. 10-11.

3 Kamerstukken II 2007/08, 31 389, nr. 3, p. 3; Boissevain & Freriks 2009, p. 14-15.

4 Wetsvoorstel Aanpak dierenmishandeling en dierverwaarlozing, 4 oktober 2018.

5 <www.rijksoverheid.nl/actueel/nieuws/2018/10/04/grapperhaus-houdverbod-van-maximaal-tien-jaar-bij-dierenmishandeling> geraadpleegd op 4 oktober 2018.

6 R. de Graaff, ‘Dieren zijn geen zaken: de ‘eigen positie’ van het dier gecodificeerd in artikel 3:2A BW’, AA 2017, p. 668-669; E.C. de Bordes, Dieren in het geding. Een juridisch-historische analyse van het verbod op dierenmishandeling (diss. Utrecht) 2010, p. 16.

7 A. Semplonius, Dierenmishandeling (diss. Vrije Universiteit Amsterdam) 1920, p. 371.

8 J. Janssen, ‘Onverdoofd slachten. Dierenwelzijnargumenten tegen en godsdienstige argumenten voor deze slachtmethode’, TRRB 2014/5, p. 43; K. van Koppen e.a., Natuur en mens. Visies op natuurbeheer vanuit levensbeschouwing, wetenschap en politiek, Wageningen: Pudoc 1984, p. 32.

9 D. van Uhm, Naar een non-antropocentrische criminologie, Tijdschrift over Cultuur en Criminaliteit 2018/8, p. 35; L. White, ‘The historical roots of our ecologic crisis’, Science 1967/3767, p. 1203-1207.

10 Zie bijvoorbeeld het proefschrift van Eva Meijer.

11 Van Uhm 2018, p. 36; Van Koppen e.a. 1984, p. 32-33.

12 J. Janssen, ‘Over mensen en andere dieren in de criminologie’, JV 2012/2, p. 29-38.

13 Van Koppen e.a. 1984, p. 32-33.

14 J. Vink, ‘Dierenwelzijn. Van onderhandelbare naar grondwettelijke waarde’, NJB 2018/1297.

15 De Graaff 2017, p. 668-669; Kamerstukken I 2009/10, 313879, C, p. 16; Handelingen I 2010/11, 26, item 9, p. 56.

16 E. Cramer, ‘Dieren zijn geen zaken, maar ook geen mensen’, NJB 2010/274, p. 353-354.

17 J.E. Jansen, ‘Over de ontzakelijking van dieren en de grenzen van het zaaksbegrip’, RM Themis 2011/5, p. 190-192.

18 De Graaff 2017, p. 668-669.

19 T. de Vette, ‘Een dier is (g)een zaak’, Adv.bl. 2017/9, p. 20

20 Vink 2018, par. 1.

21 Zie art. 13 VWEU.

22 Vink 2018, par. 1.

Video
Share

Your name

Your e-mail

Name receiver

E-mail address receiver

Your message

Send

Share

E-mail

Facebook

Twitter

Google+

LinkedIn

Contact

Send

Sign up

Sign up